Auteur: Kate Sastrokarijo

  • Jarig zijn

    Jarig zijn

    Van het weekend was ik jarig. En de laatste jaren leverde mijn verjaardag best wat stress op. Niet zozeer om het ouder worden, maar meer om het besef dat ik, als het een beetje meezit, nog zo’n veertig jaar te gaan heb. Dat klinkt veel, maar ik nader wel al de helft. Sterker nog, misschien heb ik nog maar 38 fitte jaren te gaan.

    En dat besef roept spanning op. Druk. Omdat er nog zóveel is wat ik wil doen. Of eigenlijk, wat ik voel dat ik nog moet doen:

    • Afstuderen.
    • Eindelijk op mijn niveau werken.
    • Eindelijk in een omgeving waar ik mezelf kan én mag zijn.
    • Omringd zijn door mensen die mij echt kennen — in alles wat ik ben.
    • Een stabiele relatie (check!)
    • Een fijn gezin (check! Twee prachtige kinderen; al had ik er graag nog eentje bij gewild).
    • Een huis, nee, een thuis — waar ik me veilig voel en wat écht van mij is.

    Ik heb nog nooit écht iets gehad wat van mij was. Zelfs mijn eigen lichaam en geest hebben lange tijd niet als van mij gevoeld. Maar dit huis, dat we samen kochten, dit is van mij. En ik ben trots.

    En dan zijn er nog de dromen:

    • Een reis naar Japan. Naar Bali met mijn gezin.
    • Een sabbatical nemen. Financieel in de positie zijn om die tijd ook echt te kúnnen nemen.
    • Zodat ik een summer school kan doen aan de Hoge Hotelschool om mijn kook-skills te verdiepen.
    • Een boek schrijven. Over mijn leven.
    • Een baan vinden die genoeg oplevert om mijn leven te kunnen dragen, die me uitdaagt, plezier geeft én waarmee ik anderen help.
    • Echt iets van waarde bijdragen aan de samenleving.

    Zoveel nog te doen. En dat levert stress op.


    Ik kan me niet herinneren dat ik mijn verjaardag ooit heb gevierd in Suriname. Misschien gebeurde het wel, maar weet ik het niet meer. Ook in Nederland werd mijn verjaardag nauwelijks gevierd. Wat ik me wél herinner, zijn de momenten van stress rondom mijn verjaardag. Omdat ik weer straf had. Omdat er niemand kwam. Omdat er simpelweg geen aandacht aan werd besteed. Of niemand me feliciteerde.

    Ik heb me vaak eenzaam gevoeld, die eerste twintig jaar van mijn leven. En als ik daaraan terugdenk, voel ik nog steeds veel verdriet.

    Dus naast het besef dat ik nog zoveel wil doen in mijn leven, voel ik op mijn verjaardag ook de pijn van alles wat ik heb gemist. Cognitief weet ik: die tijd was niet voor niets. Het heeft me gevormd. Maar toch voel ik dat drukkende gevoel op mijn borst. Om alles wat ik heb gemist. Om de jaren waarin ik geen kind kon zijn. Geen onbezonnen tiener, geen zorgeloze studententijd met vrienden die je de rest van je leven bijblijven. Bijna niemand van toen, is nog in mijn leven. Niet omdat ze me niets deden, maar omdat ik ze niet kon vasthouden.

    En als ik eerlijk ben: ik wás toen ook geen fijne vriendin. Omdat ik zo met overleven bezig was, kon ik er simpelweg niet voor anderen zijn. Maar jeetje, wat was dat vermoeiend voor mijzelf en de ander. Ik had ook geen idee wie ik was — laat staan wie ik wilde zijn in relatie naar de ander.

    Ik zie het nu terug. Voor een therapeut of psycholoog misschien volkomen begrijpelijk, gezien mijn verleden. Maar voor de meeste mensen niet. Mijn gedrag was verwarrend, pijnlijk zelfs. Voor de ander, maar vooral voor mij. Want juist dát bevestigde weer die ene, giftige overtuiging die ik al zo lang met me meedroeg: ik ben niets waard. Iedereen laat me uiteindelijk toch in de steek.

    En dat maakt het zwaar. Voor iedereen. Want zeg nou zelf:

    • Het is vermoeiend om met iemand om te gaan die niet kan zien hoeveel moois er al is.
    • Het is zwaar om een vriendin te hebben die constant bevestiging zoekt.
    • Die zich snel aangevallen voelt.
    • Die hoge eisen stelt aan zichzelf omdat ze niet weet wie ze is en niet beter weet.
    • Die hoge eisen stelt aan de relatie, uit angst om verlaten te worden.

    Mooie self-fulfilling prophecy, hè?

    Wat ik het hardst probeerde te vermijden, heb ik jarenlang onbewust zelf gecreëerd. Hoe verdrietig is dat….


    Mijn eerste échte fijne herinnering aan mijn verjaardag was toen ik 16 werd. Een paar weken daarvoor, was ik door mijn vader uit huis gezet.

    Ik weet de precieze datum niet meer, maar het moet ergens in maart 1999 zijn geweest, de maand voor mijn 16e verjaardag. Ik zat in mijn examenjaar van de mavo, op het Thomas More College.

    Het was een ochtend zoals elk andere. Ik had slecht geslapen en was alweer vroeg wakker. Ik maakte me klaar, douchte snel, deed mijn kleren aan en keek gespannen in de spiegel: zag alles er goed uit? Ik controleerde mijn kamer. Was het bed netjes opgemaakt, was er geen rommel? Ik had mijn boterhammen gesmeerd, mijn tas ingepakt, de keuken achtergelaten zoals het hoorde. Alles klopte. Er mocht niets zijn waar mijn vader mij op kon betrappen.

    Het huis was smetteloos. Ik had geen opvallende kleren. Geen make-up op.

    Ik had hem nog niet gehoord en ik was muisstil geweest. Inmiddels was ik een ster in geluidloos bewegen. Ik sloop door het huis alsof ik onzichtbaar was. En mijn hart maakte een klein sprongetje, misschien zou ik deze ochtend aan zijn controle ontsnappen.

    Mijn vader controleerde me vaak. Wat ik aanhad. Wat er in mijn tas zat. Hoe ik de deur uitging. En als iets hem niet beviel, wat dat ook mocht zijn, dan moest ik me omkleden. Tot het hem wél aanstond. Dat ik dan te laat kwam op school, was mijn probleem. Had ik maar eerder op moeten staan.

    Ik opende zachtjes de schuifdeur naar de trap, stapte op mijn tenen naar beneden. Bijna bij de voordeur… en toen hoorde ik zijn slaapkamerdeur opengaan. Mijn hart zonk in mijn schoenen. Hij riep me na: of ik even naar boven wilde komen.

    Boven zat hij aan de ronde eettafel in de woonkamer. Kalm. Té kalm. Hij vroeg me te gaan zitten. Die kalmte kende ik. Hoe rustiger hij leek, hoe bozer hij meestal vanbinnen was.

    Hij begon over Judas, die Jezus verraden had. Ik had geen idee waar hij naartoe wilde. Ondertussen tikte de klok verder — ik zou weer te laat op school komen. En dat betekende nablijven. Kut, kut, kut.

    Hij vroeg of ik begreep wat dat verhaal betekende. Langzaam begon het te dagen. Vergeleek hij zichzelf nu met Jezus? Was hij serieus?

    Hij stelde vage vragen: wat ik van hem vond? Of ik het leuk vond om bij hem te wonen? Ik gaf natuurlijk de antwoorden die hij wilde horen. Daar was ik inmiddels in getraind, automatisch antwoorden. Als een robot, zonder erbij na te denken wat ik echt voelde of wilde. Maar in mijn buik voelde ik de knoop komen, druk op de borst, mijn hart in mijn keel….het gevaar en geweld zat er aan te komen.

    En toen legde hij ineens wat papieren op tafel. Ik herkende ze meteen. Kopieën van mijn dagboek.

    Hoe durfde hij?
    Mijn dagboek was misschien niet goed verstopt, maar het was het enige dat van míj was. Dacht ik. Maar ook daar had hij aangezeten. Hij had werkelijk alles van me afgepakt. Niets was van mij.

    Hij begon eruit voor te lezen. Mijn intiemste gedachten. Over hoe vreselijk ik het leven met hem vond. Over het psychologische geweld, het gaslighten, het manipuleren, de vernedering, het slaan, de angst. Hij las passages voor waarin ik het huis een gevangenis noemde. Een kamp. En hem vergeleek met Hitler.

    Er kwam een druk op mijn borst, mijn keel kneep dicht, ik werd duizelig. Wat ging hij doen? Hoe ging ik hieruit komen?

    Maar wonder boven wonder: er volgde geen geweld.
    Geen scheldpartij.
    Zijn riem bleef om.
    Ik hoefde me niet uit te kleden.

    In plaats daarvan zei hij dat hij de kopieën had doorgestuurd. Naar familie, naar vrienden. Mijn diepste gedachten, gedeeld zonder mijn toestemming. Zonder schaamte. De ultieme grensoverschrijding.

    Om te laten zien hoe ondankbaar ik was. Hij had me, zei hij, gered van een miezerig leven in Suriname. Alles voor mij gedaan. En dit was hoe ik hem terugbetaalde.

    Hij zei dat de familie geschrokken was van mijn woorden. Hoe durfde hij? Mijn meest persoonlijke gedachten, zonder schaamte gedeeld met anderen. De ultieme vernedering.

    En toen keek hij me glimlachend aan. Kalm. En hij zei: “Als het hier zo erg is, lever dan je sleutel maar in. En ga.”

    Ik kon het bijna niet geloven. Kon ik écht gaan? Zonder klappen? Was ik… vrij? Ik stond op. Ik leverde mijn sleutel in. Pakte mijn schooltas. Liep naar buiten. En toen de deur achter me dichtviel, voelde ik het: een enorme last gleed van me af.
    Ik was vrij.


    In een lichte, bijna euforische roes pakte ik de tram naar school. Ik was veel te laat en kreeg daar natuurlijk ook op mijn kop — maar het maakte me niets uit.

    Nooit meer hoefde ik te dealen met deze man, die beweerde mijn vader te zijn, maar me jarenlang had mishandeld; psychisch én lichamelijk. Die me had vernederd. Me had gestript van mijn identiteit, mijn eigen geest.

    Ik was vrij.

    Redelijk zorgeloos kwam ik de dag door, tot het einde naderde. Langzaam begon het tot me door te dringen: ik had geen idee waar ik naartoe moest na school. Oh nee, wat moest ik nu doen? En nog steeds vroeg ik niemand om hulp. Ik wist niet hoe. En ergens schaamde ik me ook.

    Uiteindelijk heb ik het aan een klasgenootje verteld. Zij nam me mee naar huis en vertelde haar ouders wat er gebeurd was. Er werd in het telefoonboek gezocht op mijn moeders achternaam. Ik wist dat de broer van mijn moeder in Den Haag woonde. Er waren gelukkig niet veel met die naam in Den Haag. Bij het tweede belletje hadden we beet.

    Mijn oom kwam mij later op de avond bij hen ophalen. Die weken werd er meteen een kamer en een bed voor me klaargemaakt. Ze kochten kleren voor me. Mijn oom leerde me koken en ik ontdekte dat ik dat eigenlijk heel leuk vond.

    En het allermooiste? Ik mocht mijn 16e verjaardag vieren. Een écht feestje. Met lekker eten die mijn oom speciaal voor mij had gemaakt, salsa dansen en vriendinnetjes die op bezoek kwamen. Ik was zó blij. Ik had nog nooit zoiets meegemaakt.

    Want dit was de eerste keer in mijn leven, dat ik me kan herinneren, dat mijn verjaardag écht werd gevierd.


    Ik had mezelf toen beloofd dat ik elk jaar mijn verjaardag zou vieren. De regie was nu aan mij, en die pakte ik ook.

    En hoe. Elk jaar een feestje. Een dinertje. Een dansje. Mooi aangekleed, lekkere muziek, soms een fotograaf. Altijd goed eten. Alles door mij geregeld. Betaald. Gecontroleerd.

    Het kostte vaak veel geld, vaak geld dat ik niet eens had. Maar ik wilde één ding zeker weten: dat het geen dag werd zoals vroeger. Geen stilte. Geen eenzaamheid. Geen vergeten worden.

    Ik dacht dat ik mijn verjaardag vierde uit vrijheid. Maar eigenlijk was het nog steeds een overlevingsmechanisme.
    Om te voorkomen dat niemand zou komen.
    Om te bewijzen dat ik het waard was.
    Om te verbloemen dat ik diep vanbinnen nog steeds bang was.

    Pas de laatste jaren begon het te schuiven.
    Ik stond erbij stil. Keek echt. En vroeg me af: voor wie doe ik dit eigenlijk?

    Ik realiseerde me dat die oude angst (van straf, vergeten worden, geen felicitatie krijgen) nog steeds in mijn systeem zat. Elk jaar kwam datzelfde gevoel weer boven drijven rond mijn verjaardag.

    En dat, terwijl ik inmiddels al jaren mooie mensen om me heen had verzameld. Mensen die van míj houden. Die er elk jaar weer zijn. Die hun best doen om me te feliciteren en erbij te zijn. Ik besloot dat ik me wilde richten op hén. Op de mensen bij wie ik mezelf kan zijn. Die het helemaal prima vinden, mijn verjaardag met mij vieren, ook zonder alle poespas erbij. En ja, ik vind het nog steeds moeilijk om te voelen dat ze er echt voor mij zijn.

    Dat hardnekkige gevoel van “ik ben niets waard” zit er toch nog. Ik werk er nog elke dag aan om dat gevoel los te laten. Maar ik heb ook geleerd dit over mezelf te accepteren want dit is waar ik nu ben. Ontkennen heeft geen zin. Wat wél helpt, is acceptatie. Ermee werken. Het verdriet toelaten.

    Leren om mijn emoties te reguleren. Nieuwe patronen, nieuwe gedachten, nieuwe ervaringen opbouwen in mijn hoofd; zodat de oude langzaam ruimte maken voor iets nieuws.

    Maar dat vraagt tijd. Therapie. Rust. Ontspanning. Stilstaan. Reflecteren. Leven in het hier en nu. Voelen wat ik voel. Erkennen waar het vandaan komt. Snappen dat het een oud gevoel is, een oud verdriet, dat opkomt in het nu.

    En juist dán, er aandacht aan geven. De emotie dragen. Reguleren. Om daarna me volledig te richten op wat het nú betekent. Op wat ik vandaag mag ervaren.


    En dit jaar? Mijn verjaardag is inmiddels geweest.

    Op de dag zelf stond ik heerlijk in de keuken. Koken, bakken, nieuwe gerechten uitproberen… ik heb dingen gedaan waar ik zó blij van word. Ik had oppas geregeld voor mijn zoontje, zodat ik mijn handen vrij had om rustig te koken. Ik had hulp gevraagd aan mijn partner en aangegeven wat ik van hem nodig had qua klaarzetten.

    Rond 14:00 merkte ik dat ik het niet ging redden. En daar was ‘ie weer: dat oude gevoel van perfectionisme. Ik herkende het, dus stopte ik. Heb er aandacht aan gegeven en toen heb ik hulp gevraagd aan mijn buren.

    Daarnaast besloot ik: alles wat ik nog wilde doen, ging ik niet afkrijgen in dat ene uur. Dus ik koos drie dingen om wél te doen. Zodat ik op tijd klaar zou zijn om mijn gasten te ontvangen en vooral: om te kunnen genieten van mijn verjaardag.

    Mijn schoonouders waren er, collega’s, buren, vrienden. Er werd voor me gezongen. En ik vond het lastig om daar een houding in te vinden. In het middelpunt staan is nu nog steeds niet mijn favoriete plek, omdat het ongemak geeft. Maar ik wil er wel staan, dus dat is de paradox die ik voel.

    Maar in plaats van dat gevoel weg te duwen, liet ik het er gewoon zijn. Dat ongemak. Want dat ben ik. En dat is oké. Ik ga mezelf niet meer onder druk zetten met gedachtes als: “je doet stom, je moet normaal doen.”

    In het ongemak voelde ik me tegelijk gezien én geliefd, en even weer dat kleine meisje van toen. Ik genoot van de aandacht, de mooie cadeaus, de lieve woorden, gesproken én geschreven. Ik liet het over me heen komen. En ik opende mijn hart om het echt binnen te laten komen.

    Het mocht er allemaal zijn. Ik ga mijzelf niet meer verbergen.

    Ik legde mezelf geen druk op om iedereen te vermaken. Ik liet mensen bij binnenkomst meteen weten waar alles stond. Pak wat je wil, voel je thuis. Zo had ik mijn handen vrij.
    En kon ik met iedereen een beetje kletsen.


    Later op de avond merkte ik dat mijn gedachten toch weer afdwaalden naar oude patronen.
    Naar de mensen die niet waren gekomen. Naar de mensen die niets van zich hadden laten horen. Ik voelde de stress weer opborrelen…en ik liet het maar gewoon komen.

    Ik merkte ook dat ik me schuldig begon te voelen. Al die cadeautjes die ik had gekregen…
    Ik dacht: “ik ben dit helemaal niet waard. Ik moet zó dankbaar zijn dat mensen zulke mooie, dure cadeaus voor me hebben meegenomen.

    En toen…toen betrapte ik mezelf.

    Nee, Kate.
    Je hoeft niet kleiner te worden.
    Je hoeft jezelf niet onder de ander te plaatsen.

    Mensen hebben cadeautjes meegenomen en zijn gekomen omdat ze jou leuk vinden.
    Omdat ze graag iets voor je wilden doen.
    Punt.

    Je hoeft nu niet extra dankbaar te zijn.
    Je hoeft niets terug te doen om het ‘goed te maken’.

    Het verschil? Ik herken het patroon en kies nu bewust anders. Ik ben aan het groeien. Ik word eindelijk… bewust bekwaam.

    Dus….
    Ik heb me écht jarig gevoeld. Geliefd.
    Dankbaar — voor mezelf en voor de mensen om me heen.

  • Overgang en CPTSS: Hoe hormonale veranderingen oude patronen kunnen versterken

    Overgang en CPTSS: Hoe hormonale veranderingen oude patronen kunnen versterken

    Vorig jaar sliep ik ontzettend slecht. Niet even een paar dagen, maar maanden achtereen. De enkele uren slaap die ik kreeg, waren bovendien van slechte kwaliteit. Daarnaast was ik emotioneel onverklaarbaar labiel, vergat ik continu van alles en kwam ik steeds vaker te laat op afspraken. Frustrerend, want ik ben van nature een gestructureerd en scherp persoon.

    Lange tijd dacht ik dat dit kwam door de pittige peuterfase van mijn zoon, mijn intensieve werkweek in de zorg, mijn hbo-studie en de uitdaging om daarnaast ook een sociaal leven en voldoende tijd voor mezelf te behouden. Een balans die altijd goed werkte, maar steeds vaker uit evenwicht raakte.

    Toch leek dit logisch. Het was tenslotte mijn eerste keer moederschap, en iedereen zei dat het erbij hoorde: slechte nachten en emotionele uitputting. Op het werk vroegen mensen zich af of ik niet te veel deed. Sommigen adviseerden zelfs om een dag minder te gaan werken.

    Hierdoor begon ik te twijfelen aan mijn eigen kracht. Was ik niet altijd veerkrachtig geweest? Had ik niet jarenlang meerdere ballen succesvol in de lucht gehouden? Was doorzettingsvermogen niet juist mijn kracht, gezien mijn verleden?

    Wat je niet ziet, kun je ook niet veranderen

    Omdat ik steeds vaker hoorde dat het ‘aan mij lag’, nam ik dat uiteindelijk ook aan. Ik vraag van nature weinig hulp, ik heb immers altijd alles zelf gedaan. Maar toen mijn partner op een gegeven moment zei:

    “Kate, je moet echt naar de dokter, want je bent jezelf niet.”

    … besefte ik dat hij gelijk had. Vooral mijn vergeetachtigheid en de wazigheid in mijn hoofd baarden hem zorgen. Soms kon ik gewoon niet meer uit mijn woorden komen. Om hem gerust te stellen, maakte ik een afspraak met de huisarts.

    De huisarts verwees me eerst naar de praktijkondersteuner, daarna volgden meerdere testen en een bezoek aan de gynaecoloog. Pas toen ik extreem veel bloed verloor en me continu duizelig en vermoeid voelde, bleek mijn HB-waarde 5,2 te zijn. Ter referentie: bij 4,4 krijg je een bloedtransfusie. Dat ik opvliegers had en al maanden niet ongesteld was geweest, werd door niemand, inclusief mezelf, als een teken van de overgang gezien.

    Totdat ik in december vorig jaar de verlossende diagnose kreeg: Vroege overgang.

    “Huh, ik ben nog zo jong?”

    Achteraf vielen alle puzzelstukjes op hun plek: de wazigheid in mijn hoofd, vergeetachtigheid, slapeloosheid, opvliegers, onrustige benen, stemmingswisselingen, prikkelbaarheid, droge huid, pijnlijke gewrichten, uitputting, haargroei op plekken waar ik die nooit had gehad en constante hoofdpijn. Je kunt je voorstellen dat ik niet bepaald de gezelligste versie van mezelf was.

    Terug naar mezelf

    Gelukkig kon ik snel starten met een hormoonbehandeling. Binnen twee weken merkte ik al verbetering. Dat, in combinatie met psychologische begeleiding en leefstijlaanpassingen, heeft me mezelf teruggegeven.

    Nu, nog geen twee maanden later:

    • Ik ben weer scherp.
    • Ik kom op tijd.
    • Ik kan weer helder uit mijn woorden komen.
    • Ik slaap weer zeven tot acht uur per nacht.
    • Ik voel me weer mezelf.

    Het voelt als een opluchting om weer grip op mijn leven te hebben.

    De impact op CPTSS

    Waar ik geen rekening mee had gehouden, was dat de overgang mijn CPTSS-patronen weer versterkte.

    Jarenlange therapie had me geleerd hoe ik ermee kon leven. Net zoals iemand met diabetes zijn bloedsuikerspiegel moet reguleren, vraagt CPTSS voortdurende zelfzorg. Als die balans verstoord raakt, worden klachten intenser en steken oude patronen weer de kop op.

    En dat gebeurde dan ook.

    Ik kreeg opeens weer meer last van mijn oude patronen:

    Vertrouwensissues en moeite met veilige verbindingen

    • Ik vond het moeilijk om mensen te vertrouwen, vooral als ik voelde dat ze me beoordeelden of ‘tegen’ me waren.
    • Dit gevoel werd vooral versterkt door onduidelijke communicatie en door over mij te praten in plaats van met mij, wat mijn gevoel van onveiligheid vergrootte.
    • Ik trok me terug (solistisch werken) of probeerde situaties overdreven in de hand te houden uit angst voor afwijzing.

    Gevoeligheid voor kritiek en behoefte aan bevestiging

    • Ik was extreem analytisch en zocht constant naar duidelijkheid in verwachtingen.
    • Zonder open en heldere feedback voelde ik me snel onzeker, ook als dat objectief niet nodig was.
    • Dit maakte dat ik sterk reageerde op vage of onduidelijke kritiek, omdat het mijn gevoel van veiligheid raakte.

    Moeite met grenzen stellen en mezelf laten zien

    • Ik vond het moeilijk om mijn plek in te nemen en mijn grenzen te bewaken zonder het gevoel te krijgen dat ik te veel vroeg.
    • Ik had vaak het gevoel dat ik mezelf eerst moest bewijzen voordat ik iets van anderen mocht verwachten.
    • Dit beïnvloedde hoe ik met mensen omging, zowel op het werk als privé.

    Sterke behoefte aan controle en voorspelbaarheid

    • Door eerdere onveiligheid in mijn leven zocht ik naar duidelijkheid en structuur.
    • Onverwachte veranderingen zorgden voor stress en overprikkeling.
    • Dit leidde ertoe dat ik soms fel kon reageren op onduidelijke communicatie, wat in mijn werk en privé als direct werd ervaren.

    Moeite met ontspannen en rust nemen

    • Ik werkte keihard aan mijn persoonlijke ontwikkeling en carrière, maar gunde mezelf veel te weinig rust.
    • Mijn perfectionisme en verantwoordelijkheidsgevoel zorgden ervoor dat ik mezelf voortdurend uitdaagde, maar ik was ook te streng.
    • Dit leidde tot fysieke stressklachten en overbelasting.

    Herstel en vooruitblik

    Ik heb ervaren hoeveel impact de overgang alleen al heeft, laat staan in combinatie met CPTSS. Privé vonden mensen mijn gedrag soms lastig. Begrijpelijk en verdrietig tegelijk, zowel voor mij als voor hen. Gelukkig kon ik rekenen op begrip, simpelweg omdat de mensen om me heen van me houden.

    Maar wat een impact had dit ook op mijn werk! Uit onderzoek blijkt dat 80% van de vrouwen overgangsklachten ervaart, maar slechts 25% hierover spreekt op de werkvloer. Het is een uitdaging om als vrouw in deze situatie te functioneren, zeker als je lange tijd niet serieus wordt genomen.

    Eerst kreeg ik te horen dat het psychologisch was, dat ik misschien depressief was. Of ik niet eens antidepressiva wilde proberen? Veel vrouwen ervaren dat hun klachten niet meteen serieus worden genomen, en dat is niet gek als je bedenkt hoe weinig kennis er nog is over de impact van hormonale veranderingen op werk.

    Ik vertrouwde op mijn eigen gevoel en besloot geen antidepressiva te nemen. Maar wat als ik mezelf niet zo goed had gekend? Wat als ik wél was gaan twijfelen en een verkeerde behandeling had gekregen?

    Hoewel zowel mijn CPTSS- als overgangsklachten altijd op de achtergrond aanwezig blijven, zijn ze dankzij de hormoonbehandeling, therapie en leefstijlaanpassingen nu veel beter hanteerbaar. De hormoonbehandeling heeft me enorm geholpen, net als de intensieve wekelijkse sessies bij mijn psycholoog. Daarnaast heb ik mijn leefstijl weer aangescherpt: sporten, goed eten, voldoende slapen en op tijd rust nemen en ontspannen (genieten, leven).

    Ik voel me weer sterk. Ik voel me weer mezelf.

  • De rol van lezen in mijn herstel

    De rol van lezen in mijn herstel

    (+8 boeken die hieraan bijdroegen)

    Let op: In deze blog deel ik mijn persoonlijke ervaringen met trauma, misbruik en herstel. Dit kan confronterend zijn. Lees verder als je je hier prettig bij voelt en neem pauzes als dat nodig is. 💙

    In Suriname las ik weinig boeken. Ik kan me ook niet herinneren dat er überhaupt boeken waren in de vele huizen en het internaat waar ik heb gewoond. Mijn liefde voor lezen ontstond pas na mijn aankomst in Nederland, op 1 april 1994. Mijn biologische vader woonde toen al in Nederland. Ik wist wie hij was, we hadden elkaar eerder ontmoet in Suriname, ik had zelfs foto’s van mij als baby met hem, en hij stuurde regelmatig spullen vanuit Nederland naar mij.

    Voor mij was mijn vader mijn redder, degene die mij kon verlossen van mijn leven in Suriname. Hoe blij was ik dan ook toen hij naar Suriname kwam en mij vroeg of ik met hem mee wilde naar Nederland. Zonder enige twijfel zei ik meteen JA! Ik stond er helemaal niet bij stil dat ik eigenlijk meeging met een man die ik amper kende, naar een land dat volledig vreemd voor mij was. Op dat moment maakte dat me niets uit; alles was beter dan Suriname. Zo stapte ik op 31 maart 1994, onder begeleiding van een KLM-stewardess, in mijn eentje in het vliegtuig naar Nederland.

    Als vers geïmporteerd meisje van tien jaar, mocht ik direct aansluiten in groep 8. Al snel merkte ik dat mijn Nederlands nogal ouderwets was en dat ik nog niet zo’n grote woordenschat had (dat is overigens lang zo gebleven, maar daar vertel ik in een andere blog meer over). Mijn vader zorgde ervoor dat ik een pasje kreeg voor de bibliotheek, waardoor er een wereld voor mij openging. Vanaf dat moment verslond ik boeken. Mijn Nederlands verbeterde daardoor ontzettend snel, en dankzij het lezen ontdekte ik nieuwe werelden en ervaringen waarover ik alleen maar kon dromen.

    Destijds woonde ik in de Schilderswijk en volgens mij hadden we het niet heel breed. Niet dat ik dat toen echt besefte; ik kreeg namelijk in Nederland sowieso meer en gevarieerder voedsel dan ik ooit in Suriname had gekend. Daarbij: als je uit de Schilderswijk komt en naar school gaat in Bouwlust/Vrederust, kom je vanzelf niet in de mooiere wijken van Den Haag. Lange tijd wist ik dus niet beter, dan dat ik omringd was met mensen met een migratieachtergrond. Mensen zoals ik.

    Boeken boden mij toegang tot een wereld waarin ik kon verdwijnen. En dat had ik ook nodig, want de echte wereld waarin ik leefde was niet prettig. Dus vluchtte ik regelmatig naar mijn fantasiewereld.

    September 1994, brugklas MAVO, Thomas More College, ik was 11 jaar. Wat een wereld van verschil met mijn basisschool, waar van de 25 kinderen er slechts 9 een migratieachtergrond hadden. Hier zat ik in een klas van 28 leerlingen, waarvan 22 met een migratieachtergrond, met meester Schuemie als docent. Naast dat ik de boeken op de boekenlijst verslond, las ik ook veel boeken daarbuiten. Die leende ik allemaal bij de bibliotheek, waar ik regelmatig een boete kreeg omdat ik altijd het maximale aantal boeken meenam en ze vervolgens veel te laat terugbracht. Mijn miezerige zakgeld ging daar meestal aan op.

    Elk vrij moment zat ik ergens stil in een hoek met een boek. Op school zat ik vaak op de verwarming, heerlijk in mijn eigen wereld verzonken terwijl de drukte van de middelbare school aan mij voorbijging. Ik was een stil meisje, op mezelf en meestal alleen. Het was prima zo, mijn boeken waren voldoende gezelschap. Al snel werd ik klassenboekhoudster en haalde ik prachtige cijfers. De brugklas ging mij makkelijk af.

    Die boekwurm in mij, is nooit verdwenen. Boeken bleven mijn opening naar werelden waar ik alleen maar van kon dromen, een manier om even aan mijn eigen leven te ontsnappen. Mijn leven was lange tijd vrij klein. Dat was niet zomaar ontstaan.

    1994 – 1999
    Mijn vader hield mijn wereld klein. Dat gebeurde niet meteen extreem, maar langzaamaan werd mijn wereld steeds kleiner door vele regels waar ik me strikt aan moest houden. Elke overtreding werd bestraft met pakslaag en straf.

    • Elke dag werd ik gecontroleerd op wat ik aanhad, wat er in mijn schooltas zat, hoe ik douchte en zelfs hoeveel wc-papier ik gebruikte.
    • Tv-kijken mocht alleen met toestemming en dan ook nog enkel het journaal.
    • Bellen met de huistelefoon mocht ik niet zonder toestemming. Als ik dat stiekem toch een keer deed, werd dat ontdekt op de telefoonrekening. Ik moest mij vervolgens verantwoorden en kreeg weer pakslaag en straf.
    • Na school moest ik meteen naar huis; spelen bij vriendinnetjes of gezellig met vrienden hangen zat er niet in. Daardoor maakte ik amper vrienden.
    • Thuis deed ik het huishouden: koken, schoonmaken, boodschappen doen.
    • Als ik thuiskwam van boodschappen doen, moest ik altijd een bon laten zien. Was ik die vergeten of klopte het bedrag niet precies, volgde weer een pakslaag en straf.
    • Brieven of telefoontjes van familie uit Suriname, vriendinnen of familie in Nederland ontving ik zelden. Later ontdekte ik dat ze er wel degelijk waren geweest.

    Mijn wereld was daardoor klein en beperkt: school, thuis, mijn vader.

    Regelmatig vergat ik mijn enorme leren schooltas in de tram, omdat ik tijdens de dag veel dissocieerde en dagdroomde. Als dat gebeurde bekroop mij onmiddellijk angst om zonder tas naar huis te moeten gaan. Want ik wist precies wat me dan te wachten stond: een gesprek over hoe dom, vergeetachtig en slordig ik was, dat ik geen mooie spullen verdiende, dat ik zonder mijn vader niets kon. Daarna volgde pakslaag en straf.

    Panisch probeerde ik vanuit school de gevonden voorwerpen van de HTM te bellen. Maar in die tijd werden gevonden voorwerpen pas aan het einde van de dienst naar de remise gebracht. Daardoor kon je spullen meestal pas de volgende dag ophalen. Hoe ik het ook wendde of keerde, ik moest uiteindelijk zonder tas naar huis.

    Achteraf gezien was het interessant, misschien zelfs slim, hoe mijn vader mijn wereld stukje bij beetje kleiner maakte, totdat ik mijn leven uiteindelijk accepteerde zoals het was. Ik was mak en gebroken geworden, en waar ik me in het begin vurig verzette, dacht ik later niet eens meer aan vertrekken. Hij had me precies waar hij me wilde hebben: volgzaam, eenzaam en volledig afhankelijk van hem.

    Mijn vader sloeg mij zelden in mijn gezicht en ook niet op plekken die duidelijk zichtbaar waren. Zijn favoriete voorwerp was zijn riem. Hij liet mij dan naakt voor zich staan terwijl hij mij onderwierp aan een kruisverhoor. Elk antwoord dat hem niet beviel, werd bestraft met een klap van zijn riem. In het begin huilde ik, maar dat leerde ik snel af, want hoe harder ik huilde, hoe harder hij sloeg. Uiteindelijk onderging ik het stilletjes.

    De pijn van de riem was echter niet het ergste; het was de vernedering. Dat was waar het hem om ging: de psychologische en mentale schade. Gehoorzaam zijn, volgzaam zijn, doen wat hij zei, ja-knikken, niet zelf nadenken. Langzaam verdween ik. Ik was er niet meer, ik had geen identiteit meer. Wie was ik nog? Leegte…

    ’s Avonds, in mijn bed, schreef ik in mijn dagboek hoe ik me écht voelde. Blijkbaar kon ik dat ergens nog wel: voelen. Mijn dagboek was de enige plek waar ik mezelf kon zijn – of in ieder geval, dat probeerde ik. Na het 20:00 nieuws moest ik meteen naar bed, dus ik had alle tijd om te lezen. En dat deed ik dan ook gretig.

    Als volwassene is mijn liefde voor lezen altijd gebleven. Ik ontdekte daarnaast dat ik erg leergierig was en graag leerde door te lezen en het vervolgens meteen in de praktijk toe te passen. Later stapte ik over op boeken die mij hielpen in mijn reis naar heling.

    Als jongvolwassene had ik, tijdens jaren van therapie, vier diagnoses gekregen. De eerste was Borderline persoonlijkheidsstoornis – een label waar ik mij hevig tegen heb verzet. Mede omdat ik mezelf nooit fysiek had verwond en omdat de term “borderline” in het dagelijks leven vaak als scheldwoord werd gebruikt. NEE, dat was ik niet.

    Later kwam de diagnose hechtingsstoornis. Daar herkende ik mezelf enigszins in, maar op dat moment was ik nog niet klaar voor therapie en nam ik die diagnose niet serieus. Het advies om vrijwillige opname te doen in een open instelling, wees ik dan ook af. Lang heb ik daar spijt van gehad. Was ik wellicht eerder beter geweest als ik toen intensief in behandeling was gegaan?

    Pas veel later, na een jaar therapie bij een particuliere psycholoog voor mijn angsten, nachtmerries en herbelevingen, hoorde ik voor het eerst over complexe posttraumatische stressstoornis (C-PTSS). Volgens mij is deze diagnose overigens nog steeds niet opgenomen in de DSM-5. Maar toen ik erover las, vielen er een heleboel puzzelstukjes op hun plek. Ik denk dat ik toen pas echt bereid was om in te zien dat ik gebroken was, dat ik hulp nodig had en dat ik me moest overgeven aan therapie. Want therapie werkt alleen als je de intrinsieke motivatie hebt om het toe te laten. Ik was 27.

    Wat is complex trauma?

    Complex trauma verwijst naar langdurige en herhaalde traumatische ervaringen, meestal van interpersoonlijke aard, die plaatsvinden in de vroege stadia van de ontwikkeling. Het onderscheidt zich van enkelvoudig trauma – een eenmalige gebeurtenis – door de chronische aard ervan en het feit dat het vaak voorkomt binnen de context van nauwe relaties, zoals langdurig huiselijk geweld, emotioneel misbruik of verwaarlozing.

    Op de een of andere vreemde manier wist ik mijzelf altijd te omringen met “normale” mensen. Toch voelde ik me vaak alleen met mijn verleden. Ik sprak er nauwelijks over en heb jarenlang een masker gedragen, mijzelf voorgedaan als iemand anders. Ik was inmiddels een expert geworden in aanpassen, me voegen naar mijn omgeving en de mensen om mij heen. Dus ik was vrolijk, welbespraakt, extravert en levendig. Ik heb lang de bijnaam Fris en fruitige Kate gehad, in extreem euforische staat (wat een giller!). Maar diep van binnen bleef ik zoeken naar antwoorden en wist ik eigenlijk niet wie ik was.

    Naast de jarenlange intensieve therapie, heb ik ook veel boeken gelezen om mezelf beter te begrijpen en te achterhalen wat er precies met mij aan de hand was. Hier een lijst van boeken die mij enorm geholpen hebben:

    1. Vroeger en verder – stabilisatiecursus na misbruik of mishandeling (Dorrepaal, Thomaes & Draijer).
    2. Tiger Tiger: A memoir – over seksueel misbruik en het Stockholm-syndroom (Margaux Fragoso).
    3. Complexe PTSD: From Surviving to Thriving (Pete Walker).
    4. Het Seksboek – alles over lichaam, liefde en seks (Goedele Liekens).
    5. Behandeling van problematische gehechtheid (Anniek Thoomes-Vreugdenhil).
    6. Omarm je emoties – vrij van angst voor je gevoelens (Ronald J. Frederick).
    7. Patronen doorbreken – negatieve gevoelens en gewoonten herkennen en veranderen (Hannie van Genderen, Gitta Jacob & Laura Seebauer).
    8. De fontein: Vind je plek (Els van Stijn) – Aan de hand van de fontein als metafoor voor je familiesysteem krijg je praktische handvatten om hardnekkige patronen in je gedrag te doorbreken. Je krijgt meer rust en grip op je leven.

    Ik hou nog steeds van lezen. Tegenwoordig vooral voor mijn plezier en om te leren binnen mijn studie. Mijn leergierigheid is nooit verdwenen en ik geloof in het concept van levenslang leren. Maar ik lees niet meer om te verdwijnen, te dissociëren of te dromen. Die tijd ligt ver achter me. Ik heb inmiddels al een dikke tien jaar een gezonde relatie met boeken – en daarbij ook een nieuwe passie ontdekt: schrijven.

  • Tijdens een lichaamstherapie sessie brak ik oncontroleerbaar in huilen uit.

    Tijdens een lichaamstherapie sessie brak ik oncontroleerbaar in huilen uit.

    De laatste keer dat dit mij gebeurde was jaren geleden. Volgens mij was ik zelfs nog een kind.

    Ik voelde in eerste instantie meteen het gevoel van schaamte en probeerde mijzelf groot te houden omdat huilen niet mag. Dat is een teken van zwakte en je zwakte kan je nooit laten zien.

    Maar gelukkig maakte die gedachte plaats voor een gevoel van ontlading. Alsof ik deze huilbui, deze energie en emoties al zóóó lang had opgekropt.

    En nu… nu was ik er vrij van.

    Maar allereerst, wat is lichaamstherapie?

    Het richt zich op de verbinding tussen lichaam en geest en helpt om spanning, stress en trauma los te laten. Het uitgangspunt is dat emoties en ervaringen zich niet alleen in ons hoofd, maar ook in ons lichaam opslaan.

    Door middel van beweging, ademhaling en lichaamsbewuste oefeningen helpt deze therapie om beter contact te maken met fysieke signalen en gevoelens. Dit draagt bij aan het verwerken van trauma, het verminderen van lichamelijke klachten en het verbeteren van emotionele balans.

    Voor mensen met complexe PTSS en hechtings-uitdagingen, zoals ik, is lichaamstherapie een mooie aanvulling op reguliere therapie met een psycholoog. Omdat het direct werkt met wat het lichaam heeft opgeslagen en helpt om vastzittende spanning te ontladen.

    Ik gebruik lichaamstherapie voor het verwerken van trauma en stress:

    1. Om meer bewustwording te creëren van lichaamssignalen en er op een gezonde manier mee om te gaan.

    Vroeger had ik niet eens door dat er een signaal was, laat staan wat het betekende. Als ik het door had, dan negeerde ik het gewoon en ging vrolijk verder.

    Het interessante was dan ook dat ik dit lange tijd makkelijk heb kunnen doen. Misschien kwam het omdat ik jong was en je lijf dan meer aan kan. Ik weet het niet. Maar het lichaam zegt op den duur gewoon stop en dat resulteerde in een burn-out in 2016. Maar dat is een blog voor een andere keer.

    2. Om mijn emoties beter te voelen en te uiten, zonder overweldigd te raken.

    Ik heb lange delen van mijn jeugd geleerd dat emoties uiten niet gewaardeerd wordt en bestraft wordt. Dat deden mijn verschillende verzorgers door schreeuwen, slaan en negeren. Ik heb daardoor geleerd dat emoties tonen niet kan, een zwakte is en ten allen tijden ontweken moet worden.

    Maar ja, die emoties zijn er toch. En ze komen naar de boven, of je het wilt of niet.

    Dus heb ik al vroeg geleerd om te dissociëren. Het werd uiteindelijk zo erg dat ik emoties niet meer herkende en dat ze te pas en te onpas naar boven kwamen met destructieve gevolgen.

    Mijn emoties overkwamen me en ik wist geen raad met ze. Ik wist niet wat ze betekenden, hoe ik ze moest uiten en wat ik ermee aan moest.

    En dit is bij kinderen natuurlijk heel normaal gedrag en als ouder of verzorger leer je ze die te reguleren. Maar wat als je 16 bent… en 18… en 25 (als je volgens de wetenschap een volgroeid brein zou moeten hebben) en 33 jaar?

    Dan is het ineens niet meer zo vanzelfsprekend voor je omgeving.

    Sterker nog, je wordt beoordeeld op het gedrag dat je vertoont. Die volgens de maatschappij niet hoort. Je wordt buitengesloten en er wordt afstand van je genomen.

    En daardoor verdwijn je als volwassene nog meer in die hopeloosheid waar je zelf niets van snapt.

    3. Om het verbeteren van vertrouwen in zelf en anderen, nee eigenlijk de waarde van zelf. En om grenzen te stellen.

    Het helpt om steviger in mijn lichaam te staan en in mijn kracht. Dat helpt dan ook weer om mijn grenzen op een verbindende manier aan te geven, waardoor dan ook weer het vertrouwen in zelf en in de ander vergroot wordt.

    Een mooie cirkel van harmonie. Ondanks dat ze alle drie heel belangrijk voor mij zijn, is nummer drie specifiek de meest waardevolle en het zwaarst geweest om te leren. Ook daar kan ik een aparte blog aan wijden.

    Focus Kate! Dus nu eerst terug naar de sessie.

    Ik kwam binnen met de observatie:

    “Ik merk dat ik mijn eigen vijand ben. Cognitief weet ik dat ik sommige dingen niet moet doen, zoals slecht praten over mijzelf, en toch doe ik het! Why? Ik ben er zo kwaad over dat ik mijzelf dit aandoe! Ik wil daarmee ophouden. Ik wil van mijzelf houden en mijzelf met respect behandelen.”

    De therapeut stelde voor om terug te gaan naar een moment in mijn leven waarin ik mij net zo had gevoeld.

    Ik deed mijn ogen dicht, ging in kleermakerszit op de grond zitten en koos voor een moment waarin mijn biologische moeder had gezegd dat ze mij van school af zou halen en dat we dan iets leuks zouden doen.

    Ik was denk ik tussen 7 en 9 jaar, basisschool, en woonde nog in Suriname.

    De schoolbel ging en ik rende het schoolplein op… geen moeder. Ik haalde mijn schouders op en ging spelen.

    Het schoolplein werd steeds leger totdat de juf naar buiten kwam en zei dat ze naar huis moest en de poort van het schoolplein dichtdeed. Ik haalde weer mijn schouders op en besloot naar mijn biologische moeders huis te lopen.

    Als klein kind, midden op de dag in de hete zon op de weg (er zijn geen trottoirs), lange stukken lopen, is niet het meest verstandigst en al helemaal niet voor een klein kind van basisschoolleeftijd. En toch deed ik het.

    Uiteindelijk kwam ik bij mijn biologische moeders huis aan, liep het erf op, trok aan de deur… op slot. Ik hoorde mensen binnen en begon te roepen: “Mama, mama, mamaaaaaaa…”

    Niets. Nog steeds, geen paniek…

    De therapeut zei:

    “Ok, we gaan terug naar het nu. Kijk naar de kleine Kate. Wat wil je doen? Nu….Jij als volwassenen met al je kennis en kracht?”

    Ik kreeg meteen buikpijn. Want een gevoel van onmacht overviel mij en ik voelde mij ontzettend klein worden.

    De gedachten die ik had waren: “Wat heb ik die kleine Kate nou te bieden? Ik ben geen haar beter dan dat zij is? Hoe moet ik haar in hemelsnaam troosten?”

    Instant buikpijn en sterk de drang om dan maar weg te rennen en die kleine Kate alleen te laten. Met mijn ogen nog steeds dicht, sprak ik dit uit naar de therapeut. Ik was in paniek.

    De therapeut sprak mij bemoedigend toe:

    “Dat geeft niet. Wees jezelf, doe wat je kan. Wat zou je nu wel voor kleine Kate kunnen doen, ondanks dat je je zo voelt?”

    Dus ging ik naast kleine Kate zitten en zei niets. Mijn handen lagen in mijn schoot, nerveus heen en weer wrijvend.

    Ik keek naar kleine Kate en zag dat ze ook stil naast mij zat, in zichzelf gekeerd, geen emotie, niets. Ze keek mij niet aan.

    Hoe bizar?

    Als ik haar vergelijk met het gedrag van mijn zoontje. Hoe hij naar mij kijkt, hulp zoekt, steun zoekt, huilt als hij verdriet heeft, lacht als hij blij is, en zijn stem laat horen als hij boos is…

    Wat een wereld van verschil.

    En dat beeld, die vergelijking, brak mij nog meer. Wat is er met dit kind gebeurd op zo’n jonge leeftijd dat ze totaal niet het verwachte gedrag van een kind vertoont na wat er die dag met haar is gebeurd???

    Ik hervond mijn volwassen en krachtige Kate en probeerde niet in een oud patroon te vervallen, van doen wat ik denk dat mijn omgeving verwacht, maar handelen naar wat ik nu op dit moment kan.

    En dat was naast haar zitten, met mijn handen in mijn schoot en tegen haar zeggen:

    “Keetje, het doet mij pijn om te zien dat je alles alleen doet en geen hulp vraagt. Dat er geen emotie bij je loskomt terwijl er alleen maar nare en heftige dingen met je gebeurd zijn.”

    “Ik vind het heel verdrietig om te zien dat je dit maar ondergaat en het normaal vindt. Dat je niet bij de pakken neerzit en een oplossing zoekt. Een mooie kwaliteit voor als je volwassen bent straks, maar niet als je nog kind bent.”

    “Ik weet hoe je je voelt. Je bent niet alleen. Maar ik ben er voor je.”

    “Ik zou je zo graag willen knuffelen, maar ik weet zelf nog niet hoe ik dat moet doen, dat ben ik nog aan het leren. Als ik je nu zou knuffelen zou het heel ongemakkelijk voelen, voor ons beiden denk ik. Omdat we niet gewend zijn om aangeraakt en getroost te worden.”

    “Maar ik hoop op een dag dat ik het wel meer kan. Ik weet dat je het kan, want mijn zoontje en zijn papa, die kan ik wel heel veel knuffelen!”

    Dus daar zaten we, in stilte, naast elkaar. Langzaam schoof kleine Kate een beetje naar mij toe.

    En het was goed zo.

    Terug in het nu…

    De tranen stroomden over mijn wangen en ik hoorde mijzelf hevig snikken.

    Ik zette beide handen voor mijn gezicht om die te verbergen, ik ging met beide handen naar mijn slapen en begon ze te wrijven, hard…

    Want ik wilde dit intense verdriet niet voelen. Nééé.

    Ik wilde weer wegrennen, maar ik hield mijzelf op mijn plek, want ik wilde dit gevoel, deze golf van emotie en energie doorstaan, doorvoelen.

    Het moest. Dat is de enige manier dat ik meer mijzelf ga kunnen zijn.

    Dus ik bleef zitten, hard huilend, hete tranen over mijn wangen en liet die rauwe pijn er allemaal uitkomen.

    De therapeut zat stil tegenover mij en liet het maar komen.

    Na een tijdje kalmeerde ik en hervond ik mijzelf. Ik voelde mij intens opgelucht en vele malen lichter. Hernieuwde energie en kracht.

    Maar ook bedroefdheid.

    Want ik had altijd gedacht dat mijn trauma’s veroorzaakt waren nadat ik naar Nederland was verhuisd in 1994.

    Maar door deze oefening, heb ik nu voor het eerst gezien dat ik in Suriname al getraumatiseerd was.

    Dat voelde pijnlijk en maakte mij angstig. En dat moest ik onderzoeken…Maar wat ga ik vinden?

    En toch bekroop mij daarna nog een gevoel van boosheid.

    Kijkend naar kleine Kate, zag ik nog steeds hetzelfde gedrag dat ik als volwassene soms ook vertoonde.

    • Als er vervelende dingen met mij gebeurden, inmiddels gelukkig niet zo traumatisch meer, dan liet ik het maar gebeuren. Ik zei niets, deed er niets mee en zocht de “schuld” bij mijzelf.

    Alleen nu was ik volwassen en wist ik beter, dus dat ging borrelen in mij en kwam er niet goed uit, wat weer zorgde voor conflict in mijn leven.

    Een self-fulfilling prophecy. En hoe triest dat ik nog steeds zo min over mijzelf dacht, dat ik het maar met mij liet gebeuren…

    • En als die vervelende dingen dan gebeurden, dan huilde ik niet, ik toonde geen emotie. Hoe vaak ik wel niet van mijn omgeving hoorde dat ze“niets aan mij gemerkt hadden.”

    Ik zocht geen troost. Nee, ik stapte over die emotie en zelfzorg heen en ging pragmatisch op zoek naar een oplossing. Schouders eronder en gaan.

    Dat lukte meestal ook, maar of dat gezond was? Nee…

    • En getroost worden en troost geven aan een ander.

    Ik wil dat wel. Ik ben er nieuwsgierig naar. Als ik het anderen zie doen, dan merk ik dat het een blij en geïnteresseerd gevoel bij mij losmaakt.

    MAAR HOE DOE JE DAT IN VREDESNAAM?

    Als er iemand anders fysiek dicht bij mij komt, dan mijn zoontje of partner, dan verstar ik. Het gevoel is onbekend en ik weet eigenlijk nog niet zo goed wat ik ervan vind.

    Maar ik wil het weten. Dus ben ik steeds meer begonnen met mensen fysiek dichter bij me te brengen.

    Mijn schoonfamilie geef ik nu een knuffel als ik ze zie, in plaats van drie kusjes. Ik doe dit ook steeds meer bij vrienden.

    Ik sta er dan elke keer bij stil: hoe voelt dit? Wat vind ik ervan?

    Ik heb de uitkomst van de lichaamstherapie natuurlijk meegenomen naar de wekelijkse 1-op-1 sessies met de psycholoog.

    Maar ook dat is weer, voor een andere blog.

  • Ongelijkheid, deel 2

    Ongelijkheid, deel 2

    Terugblik op een blog uit 2020

    Soms kom je oude stukken tegen die je herinneren aan hoe je destijds dacht en voelde. Dit stuk schreef ik op 6 juni 2020, en ik heb ervoor gekozen om het ongewijzigd te laten en aan te vullen als onderdeel van een tweeluik.

    De aantrekkingskracht van traditionele rollen

    Eind twintig merkte ik dat ik steeds meer een girly girl werd. Ik hield van jaren 50-jurkjes, waardeerde hoffelijkheid en vond de ouderwetse rolverdeling tussen man en vrouw een aantrekkelijke dynamiek. Daarnaast begon ik me steeds meer bewust te worden van de invloed die ik als vrouw kon uitoefenen.

    Het viel me op dat mannen in mijn omgeving een zwak hadden voor mijn exotische looks in combinatie met mijn enthousiaste persoonlijkheid en mijn dienstbare houding, iets wat geworteld was in mijn Javaanse opvoeding. Op dat moment besloot ik om gebruik te maken van wat zo duidelijk naar voren kwam en me te voegen naar de verwachtingen van vrouwen.

    Het maakte dingen simpel. Ik wist wat er van mij werd verwacht als vrouw en dat gaf een bepaalde veiligheid; een label waar ik me aan kon vasthouden. Het was dan ook niet zo gek dat ik voor een carrière als secretaresse koos en lange tijd voor mannelijke managers werkte. Het was eenvoudig: er werd niet veel van me verwacht, behalve doen wat er gevraagd werd, glimlachen en er goed uitzien. Daar kon ik toen mee leven.

    “You should smile a bit more and try to be nicer”

    Naarmate mijn carrière vorderde en ik steeds vaker in aanraking kwam met grotere organisaties, begon ik de verschillen tussen mannen en vrouwen op de werkvloer op te merken. Maar intern begon er ook iets te knagen.

    Ik had inmiddels een fantastische baan als Personal Assistant van een CEO en leefde een mooi leven in Amsterdam. Doordat de organisatie klein was, kon ik naast mijn werk als Personal Assistant ook personeelszaken oppakken. Hier ontstond mijn interesse in HRM – iets waar ik in een ander blog nog meer over zal vertellen.

    Het was 2016. Hoewel termen als sociale veiligheid en grensoverschrijdend gedrag toen nog geen bekende begrippen waren, kwamen er steeds meer gesprekken op gang over gender en ongelijkheid. Dit werd versterkt door de diversiteit binnen de organisatie. Feministische geluiden werden vaker onderwerp van gesprek, maar eerlijk gezegd schoten ze bij mij destijds nog in het verkeerde keelgat. Ik wist niet goed hoe ik me ertoe moest verhouden.

    Totdat ik later in mijn carrière, inmiddels de 30 gepasseerd, voor een manager werkte die tegen me zei: “You should smile a bit more and try to be nicer.”

    Aardiger? Zou hij dat ook tegen me hebben gezegd als ik een man was geweest? Waarom werd er van mij verwacht dat ik vaker zou glimlachen en vriendelijker zou zijn? Maar wacht eens even, was dit niet precies het beeld dat ik zelf had omarmd in mijn twintiger jaren? Was ik daarin veranderd? Had ik een andere mening gevormd? Hoe was dat dan gebeurd?

    Helaas probeerde ik me destijds nog aan te passen. Mede ook omdat ik de overstap maakte van het secretariële vak naar HRM. Zonder diploma’s was ik afhankelijk van de (mannelijke) managers die me hielpen om het vakgebied binnen te rollen. Dus vaker glimlachen en aardiger doen leek een noodzakelijke strategie. Maar wat een shitshow was dat zeg.

    Het zijn niet alleen mannen die deze verwachtingen van vrouwen hebben, vrouwen kunnen deze verwachtingen net zo goed op elkaar projecteren. Als je niet glimlacht of niet ‘aardig’ bent, dan ben je een bitch, asociaal, geen leuke collega. Maar waarom? Waarom kon mijn werk niet op zichzelf staan? Ik wilde beoordeeld worden op mijn kwaliteiten als een goede Personal Assistant of HR Officer, niet op hoe vaak ik glimlach of hoe aardig ik ben. Fucked up, hè?

    En nu?

    Toen ik dit in 2020 schreef, was ik gefrustreerd en jong. Nu, jaren later, vraag ik me af: hoe ver zijn we eigenlijk gekomen? Ik denk dat er stappen zijn gezet op het gebied van gendergelijkheid en de verwachtingen rondom vrouwen in de maatschappij. Maar er is nog steeds een lange weg te gaan.

    Mijn focus als HR-professional ligt nu breder dan genderongelijkheid alleen. Ik richt me op ongelijkheid in het algemeen. Denk aan het creëren van inclusieve teams en bedrijfsculturen: een uitdaging, want in de praktijk overheersen vaak de normen en waarden van de meerderheid, waardoor mensen die ‘anders’ zijn buiten de boot kunnen vallen.

    Als leidinggevende moet je scherp blijven en continu werken aan een cultuur van sociale veiligheid. Dit betekent dat je omgangsregels afspreekt, toetst en bewaakt, zodat diversiteit, inclusie en gelijkwaardigheid niet slechts woorden blijven, maar daadwerkelijk worden nageleefd.

    Makkelijker gezegd dan gedaan… ga er maar aan staan.

  • Ongelijkheid, deel 1

    Ongelijkheid, deel 1

    Een schrijven uit 2020

    Soms kom je oude stukken tegen die je herinneren aan hoe je destijds dacht en voelde. Dit stuk schreef ik op 6 juni 2020 en ik heb ervoor gekozen om het ongewijzigd te laten en er een tweeluik van te maken. Anno nu zou ik sommige dingen anders formuleren, maar dit is een momentopname van mijn gedachten en ervaringen destijds.

    Genderrollen

    Gisteravond keek ik naar de herhaling van de documentaire Sign of the Times: Ongelijkheid op de NPO. Het ging voornamelijk over gender en hoe dat zich verhoudt tot cultuur en religie. De spreker die mij het meest aansprak, was Chimamanda Ngozi Adichie. Eerlijk gezegd had ik nog nooit van haar gehoord, totdat een stukje van haar feministische speech werd gebruikt in Beyoncé’s nummer Flawless. (Heerlijk nummer en ik ga er nog steeds lekker op, vooral de versie met Nicki Minaj.) Dat wekte mijn interesse en ik begon me wat meer in genderongelijkheid te verdiepen.

    Als het gaat om feminisme, merk ik dat mijn gevoelens en meningen daarover door de jaren heen veranderen en zich vormen. Ik ben geboren in Paramaribo, Suriname en opgegroeid in verschillende huishoudens, grotendeels bij mijn eigen grote familie met Javaans-Surinaamse invloeden. Een deel van mijn familie is moslim, een ander deel katholiek en weer een ander deel atheïst. Maar wat me vooral is bijgebleven uit mijn jeugd, is dat ik in een bepaalde rol moest passen, puur omdat ik een meisje was.

    Van jongs af aan verzette ik me daartegen. Ik wilde niet met Barbiepoppen spelen. Ik wilde bruggen bouwen en racen met auto’s. Ik was aan het ravotten met mijn buurjongen, klom in bomen en was vaak op het bouwterrein naast ons huis te vinden. Daar speelden we met de buurtkinderen regelmatig verstoppertje en klommen we op de onafgemaakte, veelal gevaarlijke, stellingen. Ik was een wild child, een echte tomboy (ik heb de littekens om het te bewijzen) en ik kreeg vaak op mijn kop, want ‘zo hoort een meisje zich niet te gedragen’.

    Op een dag, ik was een jaar of 7 of 8, kwam ik thuis van school en knipte uit boosheid eigenhandig mijn lange krullen af. Ik kan me niet meer precies herinneren wat mij ertoe had gezet. Mijn pleegmoeder was woedend. Maar voor mij voelde het als een daad van verzet, een manier om zelf te bepalen wie ik was en hoe ik eruitzag.

    Emigreren: nieuwe kansen, nieuwe verwachtingen

    Rond mijn 10e verhuisde ik naar Nederland en het voelde bevrijdend om hier andere kansen te hebben. Kansen die ik in Suriname niet had, binnen de Javaanse cultuur en kleine gemeenschap. En ik moet zeggen: ondanks dat mijn achternaam (toentertijd Gopal) nog Indiaas was, terwijl ik een mix ben van Javaanse en Negroïde afkomst, heb ik me in Nederland nooit openlijk gediscrimineerd gevoeld.

    Of misschien heb ik het niet gemerkt. Misschien gaf ik er gewoon niets om als iemand mij anders behandelde vanwege mijn afkomst. Ik wist wat ik wilde bereiken en weigerde om een slachtoffer te zijn vanwege mijn huidskleur, mijn accent, mijn geslacht, mijn opleiding, mijn afkomst of mijn seksuele voorkeur.

    Ik besefte toen ook wel dat zo’n houding niet de makkelijkste zou zijn. En dat was het ook zeker niet. Maar ik heb keihard gewerkt om de persoon te zijn die ik nu ben. Ik ben ontzettend trots op mezelf en op alle obstakels die ik heb overwonnen. Mijn strijd tegen genderrollen begon al op jonge leeftijd, maar pas later besefte ik hoeveel die vroege ervaringen me hebben gevormd. Het verzetten tegen verwachtingen heeft me niet alleen sterker gemaakt, maar ook geleerd dat groei niet zonder fouten komt.

    Toch veranderde mijn kijk op genderrollen in de jaren daarna. Waar ik me eerst verzette, begon ik later juist de aantrekkingskracht van traditionele rollen te voelen. Hoe dat gebeurde? In deel 2 daarover meer.

  • Groep 8 en de dag dat anderen mijn toekomst bepaalden

    Groep 8 en de dag dat anderen mijn toekomst bepaalden

    Ik was een vroege leerling. Of dat kwam doordat ik in april jarig was of omdat ik slim was en ik daadwerkelijk een klas had overgeslagen? Dat weet ik niet meer. Maar bij mijn verhuizing van Suriname naar Nederland, op 1 april 1994, mocht ik meteen in groep 8 beginnen. Ik was tien en de jongste van de klas.

    Hoewel we in Suriname ook Nederlands spraken, merkte ik al snel dat mijn taalgebruik ouderwets was en achterliep op de manier waarop in Nederland daadwerkelijk werd gesproken. Ik kwam terecht in een klas van 25 kinderen, waarvan 9 een migratieachtergrond hadden. De rest was wit en thank God for that, want ik geloof erin dat dat mij ook heeft geholpen om beter Nederlands te leren spreken en sneller van mijn accent af te komen. Ik hoorde de Nederlandse tongval constant om mij heen. Toen wist ik nog niet hoeveel impact dit klein detail later zou hebben. Enfin, ik dwaal af, want kinderen zijn kinderen: ik werd niet gepest, maar ze waren bruut eerlijk. Mijn taal, mijn accent en mijn beperkte kennis van de wereld werden zonder gêne dagelijks benoemd.

    In onze klas was het de norm om naar het vwo te gaan. Als net geïmporteerd kindje wilde ik dat natuurlijk ook. Niet dat ik precies wist wat het vwo inhield of hoe slim je daarvoor moest zijn, maar omdat iedereen dat wilde, wilde ik dat ook. Mijn wereld stortte dan ook in toen ik, als een van de weinigen, een havo-advies kreeg na de Citotoets. Ik kan mij nog goed herinneren hoe ik dit huilend aanhoorde tijdens het gesprek tussen meester Nieuwenhuyzen en mijn vader.

    Maar het werd nog erger. Terwijl ik daar zat, hoorde ik hen overleggen: “Was de havo eigenlijk wel haalbaar voor mij? Misschien was de mavo beter, gezien mijn taalniveau.”

    De mavo? De MAVO?! Nee. Dat was voor domme kinderen. Niemand in mijn klas ging naar de mavo. En ik? Ik wás slim. Ik wist zeker dat ik de havo aankon. Desnoods zou ik de hele zomer aan mijn Nederlands werken, als dat was, wat nodig was.

    Toch hoorde ik de volwassenen het met elkaar eens worden: de mavo was beter voor mij. En dat was het dan. Mijn lot en toekomst werden op dat moment door anderen bepaald. Niemand vroeg mij wat ík wilde of hoe ik erover dacht. Ik voelde me klein, alsof ik er niet toe deed in dat gesprek. Alsof mijn toekomst iets was waar ik slechts bij zat. Niet iets waar ik over meebesliste of onderdeel van was.

    Achteraf weet ik niet of ik überhaupt had gedurfd om iets te zeggen als dit mij toen was gevraagd. Als (inmiddels) elfjarige had ik voor mijn gevoel al een heel leven achter de rug, waarin mij was geleerd dat kinderen vooral niets te zeggen hadden. Dat meisjes geen grote mond moesten hebben. Dat ik vooral moest luisteren naar de grote mensen.

    Maar wist ik dat eigenlijk zelf niet veel beter?

  • Even voorstellen

    Even voorstellen

    Hoi, mijn naam is Kate. Ik ben op dit moment (01-01-2025) 41 jaar, moeder van een bonuszoon van 11 en een zoontje van 3. Samen met mijn partner woon ik in het mooie Den Haag.

    Welkom op mijn blog!

    Ik ben een HR-professional met een passie voor persoonlijke groei en werkbalans. In mijn blogs deel ik mijn ervaringen en praktische tips. Ik hoop hierdoor een blijk van herkenning te geven en mogelijke oplossingen te bieden voor de uitdagingen die we allemaal tegenkomen in het leven. Heb je een vraag of idee? Laat het me weten! Abonneer je vooral, zodat je niets hoeft te missen.

    Waarom schrijf ik?

    Al zolang ik mij kan herinneren, schrijf ik. Mijn dagboeken staan vol met korte verhalen. In mijn studententijd heb ik wat artikelen geschreven voor Lantaarn/Venster in Rotterdam. Ik maakte ook vaak foto’s tijdens mijn vele stapavonden en schreef daarbij reviews voor Dancegids. In 2005 begon ik aan de opleiding Journalistiek bij Inholland Rotterdam, maar een opmerking van een docent (dat mijn schrijfstijl ‘te veel straattaal’ bevatte) bracht me aan het twijfelen. Ik schrijf zoals ik spreek, zonder veel rekening te houden met technieken. Hoewel die opmerking niet de enige reden was, stopte ik kort daarna met de opleiding. Er speelde op dat moment te veel in mijn leven. Ik kom daar later in mijn blogs nog een keer op terug.

    Maar mijn liefde voor schrijven en lezen is echter nooit verdwenen.

    Nu, jaren later, wil ik die passie nieuw leven inblazen. Waarom? Omdat ik schrijven leuk vind en omdat ik hoop anderen te helpen door mijn ervaringen te delen. Misschien herkent iemand zich in mijn verhalen. Als ik maar één persoon kan helpen, is mijn doel geslaagd.

    Waar sta ik voor?

    Als mens en als HR-professional leef ik volgens een paar kernwaarden. Die geven mij houvast en zorgen ervoor dat, als ik het even niet meer weet, ik altijd kan terugvallen op deze basis:

    • Ik ben oké, jij bent oké.
    • Verbinding met anderen is mijn meest waardevolle goed.
    • Rechtvaardigheid en kwetsbaarheid zijn mijn kracht.
    • Ik wil overall gewoon een goed mens zijn, zowel privé als op het werk.

    Deze waarden vormen de basis van alles wat ik doe en deel.

    Jouw betrokkenheid maakt het compleet

    Mijn blog groeit met mij mee. Ik geloof in een lerende en open houding: proberen, reflecteren, aanpassen en doorgaan. De basis blijft echter hetzelfde: wekelijks op vrijdagochtend een blog over een onderwerp dat relevant is voor werk en leven.

    Interactie is daarbij van harte welkom! Deel je eigen ervaringen of stel vragen in de reacties. Vind je mijn blog leuk? Meld je aan voor de nieuwsbrief, zodat je niets hoeft te missen. Of stuur het door naar vrienden en familie die dit interessant vinden. Sharing is caring!