Categorie: Persoonlijke ontwikkeling

  • De zorg… zo complex en gelaagd – maatwerk is nodig, maar daar is (nog) geen verdienmodel voor

    Long-read – 20 minuten

    Deze blog is ontstaan na het lezen van een LinkedIn bericht van straatarts Michelle van Tongerloo over een casus van een meisje dat zichtbaar hulp nodig had, maar overal “nee” te horen kreeg. De frustratie die daarop volgde, herken ik.

    Ik hoor en zie wat er gebeurt. Ik ben zelf ook onderdeel geweest van Jeugdzorg en het systeem. Daarnaast zie ik ook: dit soort problematiek is complex en duur. Heeft de samenleving dat geld wel om te betalen? Om maatwerk te leveren? Om echt te luisteren en echt te helpen? Hebben we als mens wel dat geduld? Hoe weten we of iemand de (duur) geboden hulp wel gaat aanpakken en afmaken?

    Want ja, zeg nou zelf: dat meisje had al een keer hulp niet afgemaakt. Kunnen we haar dat kwalijk nemen? Hoe vaak geven we iemand hulp? Wanneer is het een hopeloos geval? Ik vind dit echt ontzettend lastig om te beoordelen en er zwart-wit iets van te vinden. Dat kan ook bijna niet, omdat er maatwerk nodig is. Maar kunnen we dat wel geven?

    Ik ben dan misschien niet verslaafd geweest, maar ik had enorm veel schulden toen het niet goed met mij ging. Daarnaast wilde ik geen hulp, omdat ik als adolescent er echt in geloofde dat het aan de wereld lag en niet aan mij. Dus ik had zeker geen hulp nodig! Ik heb ook lang de hulp die geboden werd niet geaccepteerd. Ook ik kwam niet op afspraken, zei nee tegen een opname en beschermd wonen…

    Dus tja, wat kunnen hulpverleners en het systeem dan nog meer doen?

    Maar het gaat nu toch goed met je, Kate? Dus die omslag is er gekomen, toch?

    Wat maakte dat ik wél hulp ging accepteren? Toen ik met 80.000 euro schuld rock bottom bereikte. Geen vrienden had. Geen familie. Geen vast woonadres. Geen baan kon behouden omdat ik continu in een overlevingsstand zat. Dat gold ook voor het afmaken van een studie. Ik ging van de ene slechte partner naar de andere. Ik had alleen mensen om mij heen die misbruik maakten van het feit dat ik graag ergens bij wilde horen. Ik gaf daar dan ook te veel geld aan uit, geld dat ik niet had.

    Maar uiteindelijk, toen het slecht met mij ging, waren die mensen nergens te bekennen. Maar ook dat moest ik eerst ervaren voordat ik ging inzien dat liefde kopen niet werkt. Ja, tijdelijk – tijdens een feestje en wat gezelligheid – maar dan is dat voorbij en ben je weer alleen. En voel je je nog slechter dan voor het feestje.

    Pas toen ik letterlijk in mijn eentje op de grond zat, in de totale shit, begon ik te beseffen… waar ben ik mee bezig?? Als ik wil dat er iets verandert, dan ben ík de enige die hier iets aan gaat doen. Want een ander gaat het niet voor mij doen. Ik had inmiddels die kansen ook al verpest. En daardoor was het cirkeltje dan ook weer rond: mensen zijn kut en niet te vertrouwen, ik gedraag me daarnaar, en inderdaad: mensen zijn kut en niet te vertrouwen… De self fulfilling prophecy.

    En ergens was er ook een stemmetje in mij dat zei: ik wil niet dat anderen zeggen: “Zie je, ze is niets waard, want kijk maar wat ze allemaal doet.”

    Maar dat heeft wel even geduurd hoor. Ik was pas 27 toen dit mij begon te dagen. Op mijn 30ste was ik schuldenvrij. Dat is niet zomaar gegaan: ik heb daar 3 jaar hard voor gewerkt en van 50 euro per week geleefd. Alles gedaan om zoveel mogelijk geld te verdienen om mijn schulden af te betalen.

    Schuldenvrij… en toen?

    Was alles toen weer goed?

    Nee. Want toen pas had ik ruimte in mijn hoofd en lijf om gericht hulp te gaan zoeken. Pas toen kon ik therapie blijven volgen: intensieve therapie. Ben ik gaan investeren in het ontdekken wie ik ben en waarom. Gaan investeren in duurzame relaties. Geprobeerd om een baan te behouden. Een studie af te maken. Een stabiele relatie gekregen. Een gezin gevormd. Een plek gevonden waar ik belonging voelde, waar ik mijzelf kon zijn. Een vast woonadres. Contact gezocht met mijn familie…

    Maar ik kan me voorstellen dat de instanties waar ik vóór mijn 27e bij belandde ook gedacht hebben: “Ik zie dat ze een eerdere behandeling bij ons niet heeft afgemaakt, dus ik denk niet dat het zinvol is.”

    En daarnaast, als je ook kijkt naar mijn problematiek, die was zó gelaagd en complex.

    Ik heb eerst 3 jaar schuldhulpverlening nodig gehad. Daarna meerdere vormen van intensieve therapie: schematherapie, EMDR, psychodynamische groepstherapie, RET, heel veel 1-op-1-gesprekken, lichaamstherapie, systeemtherapie, ACT en familieopstellingen. En daarnaast fulltime moeten blijven werken, want het leven gaat door en je moet het leven kunnen blijven betalen. En dan ook nog relaties aangaan én een studie proberen te volgen.

    De laatste drie waren mij tijdens die intensieve periode overigens niet gelukt. Want daar was toen nog geen ruimte voor. Ik wilde ook te veel en te snel en alles tegelijk. Ik was niet goed in rust inbouwen. Niet goed in focus houden. Niet mild naar mezelf. Ik gaf mezelf geen tijd.

    Eerst moest ik weten wie ik was

    Pas in 2017, toen de ergste pijn verholpen was en ik weer een reset had gehad door een burn-out eind 2016, ontstond er ruimte om te gaan werken aan mijn identiteit. Ik kwam er namelijk achter dat een baan houden, een studie afmaken en stabiele (werk)relaties behouden mij niet zouden lukken zolang ik eerst niet wist wie ik was. Waarom ik zo was en wie ik dan wilde zijn in verhouding tot de ander in een relatie. Waar ik voor stond. Waar ik in geloofde. Wat míj́n mening was.

    Dus echt: identiteit. Die was ik namelijk kwijtgeraakt. Door jarenlange verwaarlozing, seksueel misbruik, lichamelijk geweld, psychisch geweld, emotioneel geweld, manipulatie, gaslighting, onthechting… Ik was helemaal gestript van mijn eigen identiteit. Totdat ik een mak en volgzaam lammetje was geworden, die zelf niet kon nadenken, maar heel goed orders kon opvolgen en zich kon aanpassen.

    De toxische relatie die ik met mijn vader had, was ik één op één gaan voortzetten in mijn liefdesrelaties. Ik voelde mij prettig bij mannen die mij vertelden wat ik moest doen, waarom, en hoe ik moest denken en leven. Dat gaf mij troost, herkenbaarheid en comfort. Dit waren gelukkig geen mannen die zo extreem waren als mijn vader… maar op den duur, als iemand zoveel macht over je heeft (omdat je die willingly gegeven hebt), dan wordt het gebruik van die macht ook enigszins normaal. En ik trok ook dat soort mannen aan. Ironisch genoeg.

    Hoe ik dat patroon heb doorbroken, hoor ik je denken?

    December 2015. De zoveelste liefdesrelatie ging stuk. Alleen was het dit keer een lieve man die oprecht het beste met mij voorhad. Bam. Dat was voor mij ook weer een wake-up call. Ik wilde niet iemand zijn die een ander zo pijn deed. Anders was ik geen haar beter dan mijn vader. (Ja mensen… ik begon zelf namelijk ook een monster te worden.)

    En ik zag ook in dat ik de relatie zelf gesaboteerd had. En wellicht lijkt het nu alsof ík alleen dingen had gedaan om de relatie om zeep te helpen, maar in een relatie zijn er altijd twee. Ik bagatelliseer zijn aandeel echt niet, ik hoef er alleen hier niet verder op in te gaan.

    Ik heb toen bewust de keuze gemaakt om een tijd vrijgezel te blijven. Eens zien wie ik was zonder man. Of ik dat alleen kon.

    En toen ik na twee jaar eindelijk weer eens echt wilde daten, heb ik letterlijk een lijst gemaakt van kwaliteiten die ik in mijn volgende liefdesrelatie terug wilde zien en wat ik absoluut níet meer wilde. Die lijst heb ik erbij gehouden toen ik mij inschreef bij InnerCircle (daten voor hoogopgeleiden. Ja ja, ook dat was een bewuste keuze ;-).

    En na twee jaar, voor het eerst echt single in mijn leven, vond ik in 2018 de liefde van mijn leven. Met wie ik nu nog steeds ben. En een prachtig gezin mee heb.

    Van vriendschap tot werkrelatie — identiteit in relatie tot de ander

    De problemen die ik ervaarde in liefdesrelaties sijpelden net zo hard door in vriendschappen. Alleen manifesteerden ze zich daar net iets anders.

    In vriendschappen stelde ik mijzelf altijd lager dan de ander. Ik had namelijk niet door dat mijn zelfwaarde nul was. En ik was een pleaser en een gever. Dus die relaties waren per definitie ongelijkwaardig. En ook daar deed ik het zelf. En ook daar trok ik dan dat soort mensen aan.

    Naarmate ik steeds meer een eigen identiteit kreeg, mijn grenzen ging aangeven en ook beter doorhad wanneer ik over grenzen van anderen ging, verdwenen die mensen vanzelf. Die heb ik dus tegenwoordig gelukkig niet meer. En ik heb nu al enkele jaren een stabiele groep mensen om mij heen, sommigen al sinds 2006.

    Ik voel mij geliefd, ondanks dat ik relaties, mezelf zijn en de ander dichtbij laten nog steeds heel ingewikkeld vindt. Dat is nog steeds een thema waar ik aan werk. Dit doe ik met lichaamstherapie en recentelijk heb ik ook boksen opgepakt.

    Waarom boksen, hoor ik je denken?

    Bij boksen moet je uit je hoofd. Je lijf moet ontspannen zijn en pas kracht inzetten op het moment dat je vuist de ander raakt. Maar boksen gaat ook over techniek. Over in flow raken met jezelf én met de ander. Het is een soort dans waarbij je de ander ziet, maar ook volledig bewust bent van je eigen handelingen en reactie.

    En als cherry on the pie: ik leer mezelf verdedigen! Zodat er nooit meer iemand ongevraagd aan mijn lijf kan zitten.

    En werk?

    Werkrelaties waren overigens het meest ingewikkeld.

    Ik wist daarin geen houding aan te nemen. Of ik was te open — vertelde te veel — wat mensen raar vonden, of die informatie werd tegen mij gebruikt. Óf ik vertelde juist heel weinig, liet weinig van mijzelf zien en was een loner. Geen teamplayer.

    En in werkrelaties kwam er ook nog een extra laag bij: hiërarchie, machtsverhoudingen, belangen, ego, incompetentie (van leidinggevenden)… fucking ingewikkeld.

    En even serieus: ik snapte daar heel lang, helemaal niets van.

    Ik heb een hele lange tijd heel zwart-wit naar werkrelaties gekeken. Dit is ook de grootste reden geweest waarom ik om de twee jaar van baan wisselde. Die verdomde werkrelaties. En hoe complexer ze zijn dan privérelaties.

    Enfin, een on-the-jobcoach, mentor of senior collega die hiervoor begrip heeft en mij wil begeleiden hierin, is voor mij de oplossing geweest. Uiteindelijk. Maar die mensen op werkgebied zijn vrij schaars… dus dat blijft elke keer weer een uitdaging.

    Van hoofd naar hart

    In de zoektocht naar mijn identiteit moest ik ook leren voelen. Want ik was heel erg in mijn hoofd gaan zitten. Cognitief wist ik wat ik moest doen, want ik ben gelukkig best slim en kan goed leren en theorie tot mij nemen. Maar ook dat hielp op een gegeven moment niet meer.

    Want: wat voelde ik nou eigenlijk?

    Ik had geen woorden voor die emoties, omdat ik niet wist wat ze betekenden. Dus ik moest dat als 30-plusser pas gaan leren. Stilstaan. Mezelf afvragen: wat voel ik? Waarom voel ik dit?

    Leren dat gevoel te reguleren. Want hiervoor stopte ik het weg of ging ik er gewoon overheen alsof het niet bestond. Waardoor ik indirect mezelf zelden serieus nam en systematisch over mijn eigen grenzen heen ging. Of liet gaan.

    Op zich, gezien mijn verleden, niet zo raar natuurlijk.

    Ik had jarenlang geleerd dat emoties uiten ‘slecht’ was. Of er werd simpelweg niet naar mij geluisterd als ik boos, bang, bedroefd of blij was. En áls ik iets daarvan uitte, werd ik genegeerd of geslagen. Uiteindelijk hou je dan wel op met voelen. En met het aandacht geven aan wat er in je leeft.

    Dus ik moest opnieuw leren voelen. En daar dan weer woorden aan geven. Zelfzorg toepassen. En dat vervolgens uitspreken, naar de ander toe. Mijn grenzen aangeven. Zonder mezelf neer te halen of kleiner te maken. En ook zonder de ander pijn te doen of een conflict te veroorzaken.

    Want doordat ik mijn eigen grenzen niet kende of respecteerde, deed ik dat bij de ander ook niet. Niet omdat ik lekker gemeen wilde zijn, maar omdat ik simpelweg niet herkende wat een grens was. Tenzij iemand héél duidelijk werd, bijvoorbeeld door boos te worden.

    Maar helaas zeggen mensen niet zo snel wat ze denken. Al helemaal niet in zakelijke context. Meestal wordt er dan een oordeel over je gevormd en kiest men stilletjes een andere weg.

    Daardoor voelde ik mij vaak ineens weer in de steek gelaten. En had ik geen idee waarom dat (weer) gebeurde….

    En ondertussen…

    En dat allemaal terwijl je te maken krijgt met een wereld – en mensen om je heen – die dit maar raar gedrag vinden. Omdat ze verwachten dat een 30-plusser wel beter weet. Omdat er aan de buitenkant niets aan mij te zien was.

    En ik was ondertussen mijn grootste criticus geworden. Ik haalde mezelf élke minuut neer in mijn hoofd en sprak lelijk over mezelf naar anderen toe. Creëerde een spotlight op de dingen die ik verkeerd deed en bleef in de schaduw als ik iets goeds deed. En bij de ander deed ik dat juist andersom: als anderen iets verkeerd deden, dan was ik mild en empathisch. En als anderen iets goed deden, dan stopte ik een hele bos veren in hun reet.

    Daardoor kwam ik erachter dat ik eerst van mezelf moest leren houden. Mezelf moest vergeven. Empathie moest ontwikkelen voor mezelf. Voordat ik dat naar de wereld toe kon doen en kon teruggeven.

    Jezelf vergeven — hoe ziet dat er dan uit?

    Doorhebben hoe naar je tegen jezelf praat. En wat dat met je eigenwaarde doet. Dan bewust ervoor kiezen om mild te zijn. En dat is echt rete moeilijk, trouwens. Daar moet je uitgerust voor zijn, scherp, fit en gezond. Dus was het ook van belang dat ik die aspecten in mijn leven op orde kreeg.

    Maar… het lukte.

    Daarnaast: perfectionisme verminderen. Nog steeds het beste willen behalen en kwaliteit willen leveren, maar niet meer ten koste van alles. Niet meer altijd die 10. Want perfectionisme zorgde voor stress. Voor alles alleen doen (want alleen ik kon het zo goed). Voor verkramping. Ik kon niet ontspannen, stond altijd aan, kon niet loslaten.

    Perfectionisme zorgde er ook voor dat ik alle lol verloor in dingen waar ik eigenlijk goed in ben. Want ik deed het niet meer omdat ik er blij van werd, maar omdat het perfect moest. En dat zorgde er dan ook weer voor dat ik geen besluiten durfde te nemen. Dat ik ging soggen (studie-ontwijkend gedrag), ging procrastineren, dingen niet afmaakte. Burned out raakte. Een kort lontje kreeg, slecht sliep en aaaaaaltijd moe was.

    Ik moest opnieuw leren focussen op wat wél goed ging. De mooie dingen in het leven zien. Dankbaarheid tonen. Genieten. Geen dingen meer doen waar ik geen energie van kreeg of waar ik niet blij van werd.

    Maar vooral: loslaten.

    En om dat te kunnen, moest ik wéten waar ik dan wél blij van werd. Dus ook daar ben ik een keer goed over na gaan denken. Door te gaan wandelen in de natuur, in stilte en alles op te schrijven wat er in mij opkwam.

    Brief aan mijn jongere zelf

    Lieve Kate,

    Ik weet dat je nu met buikpijn terugkijkt. Omdat je inmiddels gegroeid bent. Omdat je hebt geleerd van je fouten. Omdat je écht dingen anders wilt doen.

    Je hebt toentertijd dingen anders aangepakt. Je weet ook wel waardoor dat kwam. Aan de ene kant was het traumaverwerking. Aan de andere kant wist je gewoon niet beter. Doordat je je eigen trauma’s niet had verwerkt en zo slecht over jezelf dacht, plaatste je jezelf lager dan het laagst. Het maakte niet uit wat anderen met je deden en het meest pijnlijke is dat het ook niet uit leek te maken wat jij met jezelf deed.

    Je hebt heel lang geleefd als een ander persoon die jou gadesloeg. Een bepaalde vorm van constante dissociatie. Daardoor voelde het ook niet echt, als er iets met je gebeurde, of als jij iets bij een ander deed.

    Nu kun je wél reflecteren. Naar je eigen gedrag kijken. Het herkennen. Een andere keuze maken.

    Knap hoor. Want een 10 jaar geleden lukte dat nog niet helemaal.

    Kijk, het is niet heel gek dat je alles alleen wilde doen. Dat je op niemand vertrouwde. Dat je lange tijd alleen aan jezelf hebt kunnen denken. Daarnaast mis je op veel sociale aspecten en binnen interpersoonlijke relaties goede voorbeelden van hoe het wel of juist níet moet.

    Je hebt nooit grenzen geleerd. Waardoor je regelmatig over je eigen grenzen heen ging en ook over die van anderen. Meerdere malen. Zonder dat je het goed doorhad.

    Je hebt ook nooit geleerd je emoties te voelen. Er woorden aan te geven. Ze te uiten. En ze liefdevol aandacht te geven.

    Je stopte het meestal weg, of je dissocieerde, of je vertrok gewoon.

    Als je een keer wél de confrontatie aanging, dan was het te laat. Je ontplofte dan. Ging om je heen slaan.

    Je was gemeen. Hard. Veeleisend. Manipulatief. Loog. Stal…

    Ik krijg er buikpijn van als ik eraan denk. Ik schaam mij. Ik kan mijzelf bijna niet aankijken. Maar dat wil ik niet.

    Ik wil mezelf in de ogen aan kunnen kijken en zeggen:

    Ik begrijp waarom je dat allemaal gedaan hebt.

    Het was niet leuk…..voor jezelf niet en voor de mensen om je heen. Maar ik begrijp het. En ik vergeef je.

    Je was toen niet bij machte om er iets aan te doen. Maar nu wel.

    En je hébt het ook gedaan. En je bent het nog steeds aan het doen.

    En dat is mooi.

    Ik vergeef je.

    Het is tijd om nu te focussen op wat je de afgelopen jaren wél hebt gedaan. Op wat je hebt bereikt. Hoe hard je hebt gewerkt. Hoe liefdevol, zorgzaam, vrijgevig, gezellig en moedig je bent. Hoe goed je bent in koken, bakken, dansen, schrijven, helpen, zorgen, aanpakken, analyseren, genieten…

    Je mag nu ontspannen. Genieten van je mooie gezin. En van de sterke vrouw die je nu bent.

    Want dat heb jij helemaal zelf gedaan. En daar mag je TROTS op zijn.

    Liefs,
    de volwassen en gezonde Kate

    Dus… het is gelukt

    Ja en dat heb inderdaad helemaal zelf gedaan. Want het was mijn intrinsieke motivatie, mijn doorzettingskracht, mijn veerkracht, mijn moed, mijn brein die de beslissingen heeft genomen om iets te doen.

    Daarnaast was het fijn dat er zoiets bestond als de WSNP, de GGZ en Jeugdzorg. Die systemen waren niet perfect – de bureaucratie, de “computer says no”-houding, het gebrek aan maatwerk, tussen wal en schip vallen, overwerkt zorg-personeel (ja toen ook al) – maar tóch: ik ben blij dat ze er waren. Want ze hebben ook echt geholpen.

    En daarnaast: de mensen om mij heen. Mensen die, ondanks alle teleurstellingen, vaagheden, red flags, niet nagekomen afspraken, uitblijven van communicatie, vreemd gedrag – tóch naast mij bleven staan. En de helpende hand boden. Mensen die ik enorm waardeer voor hun empathie, goedheid, geduld, liefde, behulpzaamheid, zorgzaamheid. Voor hun vermogen om verder te kijken dan wat ze aan de oppervlakte zagen. Onder het topje van de ijsberg, naar de onderstroom.

    En… ook echt een beetje geluk.

    Maar je had toch complexe PTSS? Ben je dan genezen?

    Hahaha, was het maar zo’n feest. Nee. Het is nog steeds elke dag hard werken.

    Want leven met complexe PTSS is een beetje zoals leven met diabetes… het gaat goed, zolang je je suiker-waarden reguleert. Met complexe PTSS is dat net zo: het gaat goed, zolang ik mijn leefstijl continu aanpas aan wat ik nodig heb om in balans te blijven: lichamelijk én geestelijk.

    Waar ik nu soms nog tegenaan loop? Dat ik relaties, zowel met mezelf als met anderen, spannend blijf vinden. Ik verlang naar verbinding, maar hou soms onbewust afstand. Mijn gevoel van veiligheid zoek ik nog vaak buiten mezelf, waardoor ik alert blijf en mijn zelfwaarde afhankelijk maak van externe goedkeuring.

    Hoewel ik inhoudelijk sterk ben, laat ik dat niet altijd zien. Ik positioneer mezelf soms nog steeds kleiner, ondertitel mijn gedachten te weinig en laat erkenning lastig binnenkomen. Als het spannend wordt, ga ik compenseren met actie, controle of soms zelf weer perfectionisme.

    Ik ben nog steeds aan het leren om meer rust te vinden in wie ik ben, steviger te staan in mijn waarde en mijn plek écht in te nemen.

    Maar no worries — het zijn patronen. En ik zit in het proces van bewust onbekwaam naar bewust bekwaam. En dat is een mooie ervaring.

    Tot slot

    Dus ja… ik weet niet of ik zo zwart-wit kan zijn over onze gezondheidszorg. Het is zó complex. Er is talent, kennis en geld nodig om door de ellende heen te blijven kijken. En heel eerlijk? Dat kunnen maar weinig mensen. Is het dan zo raar dat het zorgsysteem al enige tijd vastloopt? Misschien is dat… menselijk.

    Ik kon zelf pas naar de onderstroom kijken – bij mezelf en bij anderen – toen ik eindelijk weer stevig stond. En dat kostte tijd. Meer dan 30 jaar.

    Dus nee, ik kan niet zwart-wit oordelen over de gezondheidszorg. De problematiek is te complex. En mensen… zijn ook gewoon mensen.

    Desondanks… snap ik de frustratie ook zeker!

  • Lichaamstherapie: voelen wat je niet wist

    Lichaamstherapie: voelen wat je niet wist

    Soms weet je iets al lang, maar voel je het nog niet. Of je voelt van alles, maar hebt geen idee waar het vandaan komt. In mijn geval: beiden.

    Toen ik begon met lichaamstherapie, wist ik rationeel al best veel over mezelf. Over mijn verleden, over mijn patronen, maar niet over hoe trauma zich vastzet in je lijf. Ik kon het uitleggen, analyseren, verklaren; iets waar ik heel goed in ben.

    Maar wat ik minder goed kon, was: voelen wat er in mijn lichaam gebeurde. En erop vertrouwen en het serieus nemen.

    Ik zat al een tijd in een intensief traject, met wekelijkse sessies bij een psycholoog. En dat werkte. Maar toch bleef mijn lijf in een staat van paraatheid, alsof er elk moment iets kon gebeuren. Zelfs als het stil was. Zelfs als er niets dreigends gebeurde. Zelfs als ik gewoon op een stoel zat. Continu gespannen en dat vrat veel energie.

    En wat ik ook merkte: op het moment dat er wel iets gebeurde, niet eens iets groots of destructiefs, maar gewoon… een klant die onredelijk was. Een leidinggevende die kortaf deed. Een collega die over mij sprak, in plaats van met mij. Een partner die dacht dat ik alles thuis wel op zou pakken. Een bonuszoon die me negeerde zonder het door te hebben… dan voel ik iets. Dan gaat er iets over mijn grens. Maar ik doe niets.

    Dans en lichaamstherapie – oefenen met bewegen

    De eerste:
    Ik had benoemd dat ik mij vaak klein voel tegenover autoritaire figuren. De therapeut vroeg mij in de ruimte dit uit te beelden. Ik ging zitten op de grond. Ze vroeg mij ook uit te beelden hoe die ander persoon er dan uit zag. Ik gaf aan dat zij ongeveer een meter van mij moest staan en op mij neer moest kijken met de handen in de zij.

    Ik voelde hoe klein ik me maak tegenover autoritaire mensen. Zelfs als er niets dreigends gebeurt, bevriest mijn systeem. Ondanks dat ik enorm veel spanning voel, ren ik niet weg. Ik zeg niets. Ik beweeg nauwelijks.

    Het is alsof ik mezelf kwijtraak. Alsof ik niet meer weet wat ik mag zeggen, doen of zelfs voelen. Alsof ik monddood ben.

    En dat is niet alleen frustrerend, het werkt me op de lange termijn tegen. Want ik zeg dan niet wat ik voel of denk, geef geen grenzen aan… en uiteindelijk komt het er wél uit. Bot. Onverwacht.

    Onbegrijpelijk voor de ander. Maar voor mij is het dan al maanden aan het borrelen.

    Waar het vandaan komt
    Als kind leerde ik dat ingaan tegen autoriteit gevaarlijk was. Mijn vader was streng, gewelddadig, manipulatief en gebruikte controle als machtsmiddel. Al vroeg begreep ik: als ik iets zeg wat hem niet zint, komt er straf, pijn of vernedering.

    Dus ik zei niets. Ik bevroor. Ik gehoorzaamde.
    Dat hield me fysiek veilig, maar ik verloor mijn stem, mijn ruimte, mijn autonomie.

    Tot op de dag van vandaag verstijf ik in zulke situaties. Niet omdat ik het wil. Maar omdat mijn systeem zegt: “Zeg niets. Doe niets. Anders komt het weer.”

    De tweede:
    De therapeut kwam naast mij zitten en plaatste haar handen naast de mijne. Ik voelde mijn lijf in staat van paraatheid gaan. Wat gebeurt hier? Wat komt ze doen? Ze kwam steeds een beetje dichterbij zitten. Gewoon, fysiek iets minder afstand. Ik raakte steeds meer in paniek en nog steeds deed ik niets, geen beweging, niets. En ineens werd het me te veel.

    Mijn hoofd zei: “Er is niets aan de hand.” Maar mijn lijf riep: “Gevaar!” Ik wilde wegrennen. Haar wegduwen. Verdwijnen.

    Waar het vandaan komt
    Ook dit herken ik uit mijn geschiedenis. Op jonge leeftijd maakte ik grensoverschrijdend gedrag mee: seksuele intimidatie, mishandeling, manipulatie, vaak door mensen die juist veiligheid hadden moeten bieden. Fysieke nabijheid is daardoor voor mij niet neutraal. Het is beladen.

    Ik verlang naar aanraking, naar verbinding, naar zachtheid. Maar mijn lichaam herinnert zich gevaar.
    Ik wil dichtbij zijn, maar iets in mij wil ook vluchten. Grenzen terugzetten die vroeger nooit zijn gerespecteerd.

    Dat wordt ook wel een gedesorganiseerde hechtingsstijl genoemd: ik zoek toenadering en vermijd die tegelijkertijd. En precies dát voelde ik in die sessie.

    Het besef

    Ik schrok van deze reacties. Ik dacht echt dat ik hier al verder in was. Dat ik dit ‘gedaan’ had. Maar lichaamstherapie werkt anders dan praten.

    Je kunt niet om jezelf heen. Je lijf liegt niet. En wat daar omhoogkomt, is vaak dieper dan je denkt.

    Wat ik zag
    Er zit nog veel angst in mij. En onveiligheid. Niet omdat mensen nu gevaarlijk zijn, maar omdat mijn systeem nog steeds reageert op oude dreiging. Zelfs als die er nu niet is.

    En dat raakte me. Want ik ben geen klein meisje meer. Ik ben een volwassen vrouw, partner, moeder, vriendin, werknemer, werkgever. Maar in dat moment voelde ik me precies zoals toen: klein, fysiek machteloos, zonder stem. Mijn lijf herkende de situatie als ‘onveilig’, ook al wist mijn hoofd dat dat niet zo was.

    Dat was het moment dat ik begreep: praten alleen is niet genoeg. Mijn zenuwstelsel had zijn eigen verhaal. En dat zei:

    “Je hebt me genegeerd. Maar ik ben er nog.”

    Wat betekent dit voor mij?

    Deze reacties zijn geen gebreken. Het zijn beschermingsmechanismen van een zenuwstelsel dat jarenlang getraind is in overleven.

    • Mijn bevriezing.
    • Mijn paniek.
    • Mijn angst.
    • Mijn moeite met nabijheid.
    • Mijn moeite met autoritaire gedrag.
    • Mijn moeite met onrecht.
    • Mijn drang naar gelijkwaardigheid.

    Ze hielpen me ooit om pijn te overleven. Alleen ben ik niet meer dat kleine meisje, alleen weet mijn lichaam dat nog niet altijd. Daarom is praten soms niet genoeg. Mijn lijf moet leren dat het nu wél veilig is.

    En dat is precies waar lichaamstherapie bij helpt.

    Wat ik ervan leerde

    Wat ik dus leer, is te luisteren. Niet naar gedachten, maar naar signalen.

    • Naar trillende wangen, een brok in mijn keel, buikpijn, gespannen schouders.
    • Naar hoe ik soms automatisch wegdraai van iemand zonder dat ik het door heb.
    • Hoe mijn lijf zich aanspant als iemand dichtbij komt.
    • Hoe ik schrik van de ander, als die fysiek te dicht bij me staat.
    • En hoe dichter iemand komt, hoe meer mijn systeem roept:“Nee, nee, raak me niet aan, ga weg.”

    Tegelijkertijd weet ik ook: ik verlang naar nabijheid. Ik wil dat aanraking oké voelt. Dat een knuffel rust geeft.
    Maar ik ben bang dat als iemand zijn armen om me heen slaat, ik eerst verstijf… en dan in huilen uitbarst. Gewoon, omdat ik dat zo gemist heb in de eerste 20 jaar van mijn leven.

    Ik leer ook: oefenen met ontspanning. Niet door te denken “nu ontspannen”, maar door te ademen, te bewegen, te voelen.

    Soms lukt dat. Soms helemaal niet.
    En ja, dat frustreert me. Ik wil dat het sneller gaat.
    Maar dan zeg ik tegen mezelf: het is oké dat je je zo voelt. Laat het er maar zijn. Forceer het niet.

    Maar ook: dat ik het wél mag ontvangen. Dat ik steun mag toelaten, zelfs als alles in mij eerst “nee!” roept.

    Wat heb ik nodig en ben ik dus aan het leren?

    1. Veiligheid die ik zelf kan oproepen en niet alleen van anderen hoef te krijgen. Dit doe ik via lichaamsoefeningen, grenzen aangeven en mildheid voor het kleine meisje in mij.
    2. Erkenning van mensen die me zien zoals ik ben, zodat ik me aan hen kan spiegelen.
    3. Ruimte om niet ‘af’ te hoeven zijn. Ik mag oefenen. Vallen. Opstaan. En daarin zacht blijven voor mezelf.

    En verder

    Ik ben ruimte aan het geven aan dat kleine meisje in mij. Niet door haar weg te duwen. Niet door harder te werken. Niet door ‘normaal te doen’.

    Maar door te zeggen:

    “Ik zie je. Ik snap waarom je zo reageert. En ik blijf.”

    Je mag voelen wat je voelt. Ook als het frustrerend is.
    Dat is oké.
    Er komt een moment dat het je niet meer raakt.
    Vertrouw daarop omdat je ook op jezelf mag vertrouwen.
    Op de mensen die van je houden.
    En op de keuzes die je nu maakt.

    Dat is herstel: Geen groot gebaar. Geen snel resultaat.

    Maar stil. Geduldig. Liefdevol.

    Elke keer dat ik voel, stilsta en niets wegduw, herschrijf ik iets ouds.

    En ja, het gaat langzaam. Soms frustrerend langzaam. Maar ik doe het. En ik mag mezelf daar dankbaar voor zijn.

    Voor wie dit herkent

    Als je dit leest en denkt: dit herken ik……weet dan dat je niet de enige bent.
    Misschien ben je, net als ik, goed in aanpassen, analyseren, sterk zijn. Maar zit er onder de oppervlakte iets dat al heel lang wacht op aandacht.

    Het hoeft niet in één keer.
    Het hoeft niet perfect.

    Je mag gaan luisteren. Je mag zacht zijn. Je mag oefenen.

    Jij weet waar je bent. En waar je al doorheen bent gegaan.

    Het is niet erg als je het niet eerder zag. Het belangrijkste is dat je het nu ziet.

    Want vroeger heeft je gevormd. Maar het is niet wie je bent.
    (Wijze woorden van mijn docent Wouter aan de HHS)

    Dat is wat ik doe. En dat is al heel wat. En zo is het …..

    Simple Fridays – inspiratie voor werk en leven door het delen van mijn persoonlijke verhalen, voor een bewuster leven.
    Ik hoop hiermee erkenning, herkenning, inspiratie en een beetje hoop te geven aan ieder die hiermee dealt.

  • De rol van lezen in mijn herstel

    De rol van lezen in mijn herstel

    (+8 boeken die hieraan bijdroegen)

    Let op: In deze blog deel ik mijn persoonlijke ervaringen met trauma, misbruik en herstel. Dit kan confronterend zijn. Lees verder als je je hier prettig bij voelt en neem pauzes als dat nodig is. 💙

    In Suriname las ik weinig boeken. Ik kan me ook niet herinneren dat er überhaupt boeken waren in de vele huizen en het internaat waar ik heb gewoond. Mijn liefde voor lezen ontstond pas na mijn aankomst in Nederland, op 1 april 1994. Mijn biologische vader woonde toen al in Nederland. Ik wist wie hij was, we hadden elkaar eerder ontmoet in Suriname, ik had zelfs foto’s van mij als baby met hem, en hij stuurde regelmatig spullen vanuit Nederland naar mij.

    Voor mij was mijn vader mijn redder, degene die mij kon verlossen van mijn leven in Suriname. Hoe blij was ik dan ook toen hij naar Suriname kwam en mij vroeg of ik met hem mee wilde naar Nederland. Zonder enige twijfel zei ik meteen JA! Ik stond er helemaal niet bij stil dat ik eigenlijk meeging met een man die ik amper kende, naar een land dat volledig vreemd voor mij was. Op dat moment maakte dat me niets uit; alles was beter dan Suriname. Zo stapte ik op 31 maart 1994, onder begeleiding van een KLM-stewardess, in mijn eentje in het vliegtuig naar Nederland.

    Als vers geïmporteerd meisje van tien jaar, mocht ik direct aansluiten in groep 8. Al snel merkte ik dat mijn Nederlands nogal ouderwets was en dat ik nog niet zo’n grote woordenschat had (dat is overigens lang zo gebleven, maar daar vertel ik in een andere blog meer over). Mijn vader zorgde ervoor dat ik een pasje kreeg voor de bibliotheek, waardoor er een wereld voor mij openging. Vanaf dat moment verslond ik boeken. Mijn Nederlands verbeterde daardoor ontzettend snel, en dankzij het lezen ontdekte ik nieuwe werelden en ervaringen waarover ik alleen maar kon dromen.

    Destijds woonde ik in de Schilderswijk en volgens mij hadden we het niet heel breed. Niet dat ik dat toen echt besefte; ik kreeg namelijk in Nederland sowieso meer en gevarieerder voedsel dan ik ooit in Suriname had gekend. Daarbij: als je uit de Schilderswijk komt en naar school gaat in Bouwlust/Vrederust, kom je vanzelf niet in de mooiere wijken van Den Haag. Lange tijd wist ik dus niet beter, dan dat ik omringd was met mensen met een migratieachtergrond. Mensen zoals ik.

    Boeken boden mij toegang tot een wereld waarin ik kon verdwijnen. En dat had ik ook nodig, want de echte wereld waarin ik leefde was niet prettig. Dus vluchtte ik regelmatig naar mijn fantasiewereld.

    September 1994, brugklas MAVO, Thomas More College, ik was 11 jaar. Wat een wereld van verschil met mijn basisschool, waar van de 25 kinderen er slechts 9 een migratieachtergrond hadden. Hier zat ik in een klas van 28 leerlingen, waarvan 22 met een migratieachtergrond, met meester Schuemie als docent. Naast dat ik de boeken op de boekenlijst verslond, las ik ook veel boeken daarbuiten. Die leende ik allemaal bij de bibliotheek, waar ik regelmatig een boete kreeg omdat ik altijd het maximale aantal boeken meenam en ze vervolgens veel te laat terugbracht. Mijn miezerige zakgeld ging daar meestal aan op.

    Elk vrij moment zat ik ergens stil in een hoek met een boek. Op school zat ik vaak op de verwarming, heerlijk in mijn eigen wereld verzonken terwijl de drukte van de middelbare school aan mij voorbijging. Ik was een stil meisje, op mezelf en meestal alleen. Het was prima zo, mijn boeken waren voldoende gezelschap. Al snel werd ik klassenboekhoudster en haalde ik prachtige cijfers. De brugklas ging mij makkelijk af.

    Die boekwurm in mij, is nooit verdwenen. Boeken bleven mijn opening naar werelden waar ik alleen maar van kon dromen, een manier om even aan mijn eigen leven te ontsnappen. Mijn leven was lange tijd vrij klein. Dat was niet zomaar ontstaan.

    1994 – 1999
    Mijn vader hield mijn wereld klein. Dat gebeurde niet meteen extreem, maar langzaamaan werd mijn wereld steeds kleiner door vele regels waar ik me strikt aan moest houden. Elke overtreding werd bestraft met pakslaag en straf.

    • Elke dag werd ik gecontroleerd op wat ik aanhad, wat er in mijn schooltas zat, hoe ik douchte en zelfs hoeveel wc-papier ik gebruikte.
    • Tv-kijken mocht alleen met toestemming en dan ook nog enkel het journaal.
    • Bellen met de huistelefoon mocht ik niet zonder toestemming. Als ik dat stiekem toch een keer deed, werd dat ontdekt op de telefoonrekening. Ik moest mij vervolgens verantwoorden en kreeg weer pakslaag en straf.
    • Na school moest ik meteen naar huis; spelen bij vriendinnetjes of gezellig met vrienden hangen zat er niet in. Daardoor maakte ik amper vrienden.
    • Thuis deed ik het huishouden: koken, schoonmaken, boodschappen doen.
    • Als ik thuiskwam van boodschappen doen, moest ik altijd een bon laten zien. Was ik die vergeten of klopte het bedrag niet precies, volgde weer een pakslaag en straf.
    • Brieven of telefoontjes van familie uit Suriname, vriendinnen of familie in Nederland ontving ik zelden. Later ontdekte ik dat ze er wel degelijk waren geweest.

    Mijn wereld was daardoor klein en beperkt: school, thuis, mijn vader.

    Regelmatig vergat ik mijn enorme leren schooltas in de tram, omdat ik tijdens de dag veel dissocieerde en dagdroomde. Als dat gebeurde bekroop mij onmiddellijk angst om zonder tas naar huis te moeten gaan. Want ik wist precies wat me dan te wachten stond: een gesprek over hoe dom, vergeetachtig en slordig ik was, dat ik geen mooie spullen verdiende, dat ik zonder mijn vader niets kon. Daarna volgde pakslaag en straf.

    Panisch probeerde ik vanuit school de gevonden voorwerpen van de HTM te bellen. Maar in die tijd werden gevonden voorwerpen pas aan het einde van de dienst naar de remise gebracht. Daardoor kon je spullen meestal pas de volgende dag ophalen. Hoe ik het ook wendde of keerde, ik moest uiteindelijk zonder tas naar huis.

    Achteraf gezien was het interessant, misschien zelfs slim, hoe mijn vader mijn wereld stukje bij beetje kleiner maakte, totdat ik mijn leven uiteindelijk accepteerde zoals het was. Ik was mak en gebroken geworden, en waar ik me in het begin vurig verzette, dacht ik later niet eens meer aan vertrekken. Hij had me precies waar hij me wilde hebben: volgzaam, eenzaam en volledig afhankelijk van hem.

    Mijn vader sloeg mij zelden in mijn gezicht en ook niet op plekken die duidelijk zichtbaar waren. Zijn favoriete voorwerp was zijn riem. Hij liet mij dan naakt voor zich staan terwijl hij mij onderwierp aan een kruisverhoor. Elk antwoord dat hem niet beviel, werd bestraft met een klap van zijn riem. In het begin huilde ik, maar dat leerde ik snel af, want hoe harder ik huilde, hoe harder hij sloeg. Uiteindelijk onderging ik het stilletjes.

    De pijn van de riem was echter niet het ergste; het was de vernedering. Dat was waar het hem om ging: de psychologische en mentale schade. Gehoorzaam zijn, volgzaam zijn, doen wat hij zei, ja-knikken, niet zelf nadenken. Langzaam verdween ik. Ik was er niet meer, ik had geen identiteit meer. Wie was ik nog? Leegte…

    ’s Avonds, in mijn bed, schreef ik in mijn dagboek hoe ik me écht voelde. Blijkbaar kon ik dat ergens nog wel: voelen. Mijn dagboek was de enige plek waar ik mezelf kon zijn – of in ieder geval, dat probeerde ik. Na het 20:00 nieuws moest ik meteen naar bed, dus ik had alle tijd om te lezen. En dat deed ik dan ook gretig.

    Als volwassene is mijn liefde voor lezen altijd gebleven. Ik ontdekte daarnaast dat ik erg leergierig was en graag leerde door te lezen en het vervolgens meteen in de praktijk toe te passen. Later stapte ik over op boeken die mij hielpen in mijn reis naar heling.

    Als jongvolwassene had ik, tijdens jaren van therapie, vier diagnoses gekregen. De eerste was Borderline persoonlijkheidsstoornis – een label waar ik mij hevig tegen heb verzet. Mede omdat ik mezelf nooit fysiek had verwond en omdat de term “borderline” in het dagelijks leven vaak als scheldwoord werd gebruikt. NEE, dat was ik niet.

    Later kwam de diagnose hechtingsstoornis. Daar herkende ik mezelf enigszins in, maar op dat moment was ik nog niet klaar voor therapie en nam ik die diagnose niet serieus. Het advies om vrijwillige opname te doen in een open instelling, wees ik dan ook af. Lang heb ik daar spijt van gehad. Was ik wellicht eerder beter geweest als ik toen intensief in behandeling was gegaan?

    Pas veel later, na een jaar therapie bij een particuliere psycholoog voor mijn angsten, nachtmerries en herbelevingen, hoorde ik voor het eerst over complexe posttraumatische stressstoornis (C-PTSS). Volgens mij is deze diagnose overigens nog steeds niet opgenomen in de DSM-5. Maar toen ik erover las, vielen er een heleboel puzzelstukjes op hun plek. Ik denk dat ik toen pas echt bereid was om in te zien dat ik gebroken was, dat ik hulp nodig had en dat ik me moest overgeven aan therapie. Want therapie werkt alleen als je de intrinsieke motivatie hebt om het toe te laten. Ik was 27.

    Wat is complex trauma?

    Complex trauma verwijst naar langdurige en herhaalde traumatische ervaringen, meestal van interpersoonlijke aard, die plaatsvinden in de vroege stadia van de ontwikkeling. Het onderscheidt zich van enkelvoudig trauma – een eenmalige gebeurtenis – door de chronische aard ervan en het feit dat het vaak voorkomt binnen de context van nauwe relaties, zoals langdurig huiselijk geweld, emotioneel misbruik of verwaarlozing.

    Op de een of andere vreemde manier wist ik mijzelf altijd te omringen met “normale” mensen. Toch voelde ik me vaak alleen met mijn verleden. Ik sprak er nauwelijks over en heb jarenlang een masker gedragen, mijzelf voorgedaan als iemand anders. Ik was inmiddels een expert geworden in aanpassen, me voegen naar mijn omgeving en de mensen om mij heen. Dus ik was vrolijk, welbespraakt, extravert en levendig. Ik heb lang de bijnaam Fris en fruitige Kate gehad, in extreem euforische staat (wat een giller!). Maar diep van binnen bleef ik zoeken naar antwoorden en wist ik eigenlijk niet wie ik was.

    Naast de jarenlange intensieve therapie, heb ik ook veel boeken gelezen om mezelf beter te begrijpen en te achterhalen wat er precies met mij aan de hand was. Hier een lijst van boeken die mij enorm geholpen hebben:

    1. Vroeger en verder – stabilisatiecursus na misbruik of mishandeling (Dorrepaal, Thomaes & Draijer).
    2. Tiger Tiger: A memoir – over seksueel misbruik en het Stockholm-syndroom (Margaux Fragoso).
    3. Complexe PTSD: From Surviving to Thriving (Pete Walker).
    4. Het Seksboek – alles over lichaam, liefde en seks (Goedele Liekens).
    5. Behandeling van problematische gehechtheid (Anniek Thoomes-Vreugdenhil).
    6. Omarm je emoties – vrij van angst voor je gevoelens (Ronald J. Frederick).
    7. Patronen doorbreken – negatieve gevoelens en gewoonten herkennen en veranderen (Hannie van Genderen, Gitta Jacob & Laura Seebauer).
    8. De fontein: Vind je plek (Els van Stijn) – Aan de hand van de fontein als metafoor voor je familiesysteem krijg je praktische handvatten om hardnekkige patronen in je gedrag te doorbreken. Je krijgt meer rust en grip op je leven.

    Ik hou nog steeds van lezen. Tegenwoordig vooral voor mijn plezier en om te leren binnen mijn studie. Mijn leergierigheid is nooit verdwenen en ik geloof in het concept van levenslang leren. Maar ik lees niet meer om te verdwijnen, te dissociëren of te dromen. Die tijd ligt ver achter me. Ik heb inmiddels al een dikke tien jaar een gezonde relatie met boeken – en daarbij ook een nieuwe passie ontdekt: schrijven.

  • Ongelijkheid, deel 2

    Ongelijkheid, deel 2

    Terugblik op een blog uit 2020

    Soms kom je oude stukken tegen die je herinneren aan hoe je destijds dacht en voelde. Dit stuk schreef ik op 6 juni 2020, en ik heb ervoor gekozen om het ongewijzigd te laten en aan te vullen als onderdeel van een tweeluik.

    De aantrekkingskracht van traditionele rollen

    Eind twintig merkte ik dat ik steeds meer een girly girl werd. Ik hield van jaren 50-jurkjes, waardeerde hoffelijkheid en vond de ouderwetse rolverdeling tussen man en vrouw een aantrekkelijke dynamiek. Daarnaast begon ik me steeds meer bewust te worden van de invloed die ik als vrouw kon uitoefenen.

    Het viel me op dat mannen in mijn omgeving een zwak hadden voor mijn exotische looks in combinatie met mijn enthousiaste persoonlijkheid en mijn dienstbare houding, iets wat geworteld was in mijn Javaanse opvoeding. Op dat moment besloot ik om gebruik te maken van wat zo duidelijk naar voren kwam en me te voegen naar de verwachtingen van vrouwen.

    Het maakte dingen simpel. Ik wist wat er van mij werd verwacht als vrouw en dat gaf een bepaalde veiligheid; een label waar ik me aan kon vasthouden. Het was dan ook niet zo gek dat ik voor een carrière als secretaresse koos en lange tijd voor mannelijke managers werkte. Het was eenvoudig: er werd niet veel van me verwacht, behalve doen wat er gevraagd werd, glimlachen en er goed uitzien. Daar kon ik toen mee leven.

    “You should smile a bit more and try to be nicer”

    Naarmate mijn carrière vorderde en ik steeds vaker in aanraking kwam met grotere organisaties, begon ik de verschillen tussen mannen en vrouwen op de werkvloer op te merken. Maar intern begon er ook iets te knagen.

    Ik had inmiddels een fantastische baan als Personal Assistant van een CEO en leefde een mooi leven in Amsterdam. Doordat de organisatie klein was, kon ik naast mijn werk als Personal Assistant ook personeelszaken oppakken. Hier ontstond mijn interesse in HRM – iets waar ik in een ander blog nog meer over zal vertellen.

    Het was 2016. Hoewel termen als sociale veiligheid en grensoverschrijdend gedrag toen nog geen bekende begrippen waren, kwamen er steeds meer gesprekken op gang over gender en ongelijkheid. Dit werd versterkt door de diversiteit binnen de organisatie. Feministische geluiden werden vaker onderwerp van gesprek, maar eerlijk gezegd schoten ze bij mij destijds nog in het verkeerde keelgat. Ik wist niet goed hoe ik me ertoe moest verhouden.

    Totdat ik later in mijn carrière, inmiddels de 30 gepasseerd, voor een manager werkte die tegen me zei: “You should smile a bit more and try to be nicer.”

    Aardiger? Zou hij dat ook tegen me hebben gezegd als ik een man was geweest? Waarom werd er van mij verwacht dat ik vaker zou glimlachen en vriendelijker zou zijn? Maar wacht eens even, was dit niet precies het beeld dat ik zelf had omarmd in mijn twintiger jaren? Was ik daarin veranderd? Had ik een andere mening gevormd? Hoe was dat dan gebeurd?

    Helaas probeerde ik me destijds nog aan te passen. Mede ook omdat ik de overstap maakte van het secretariële vak naar HRM. Zonder diploma’s was ik afhankelijk van de (mannelijke) managers die me hielpen om het vakgebied binnen te rollen. Dus vaker glimlachen en aardiger doen leek een noodzakelijke strategie. Maar wat een shitshow was dat zeg.

    Het zijn niet alleen mannen die deze verwachtingen van vrouwen hebben, vrouwen kunnen deze verwachtingen net zo goed op elkaar projecteren. Als je niet glimlacht of niet ‘aardig’ bent, dan ben je een bitch, asociaal, geen leuke collega. Maar waarom? Waarom kon mijn werk niet op zichzelf staan? Ik wilde beoordeeld worden op mijn kwaliteiten als een goede Personal Assistant of HR Officer, niet op hoe vaak ik glimlach of hoe aardig ik ben. Fucked up, hè?

    En nu?

    Toen ik dit in 2020 schreef, was ik gefrustreerd en jong. Nu, jaren later, vraag ik me af: hoe ver zijn we eigenlijk gekomen? Ik denk dat er stappen zijn gezet op het gebied van gendergelijkheid en de verwachtingen rondom vrouwen in de maatschappij. Maar er is nog steeds een lange weg te gaan.

    Mijn focus als HR-professional ligt nu breder dan genderongelijkheid alleen. Ik richt me op ongelijkheid in het algemeen. Denk aan het creëren van inclusieve teams en bedrijfsculturen: een uitdaging, want in de praktijk overheersen vaak de normen en waarden van de meerderheid, waardoor mensen die ‘anders’ zijn buiten de boot kunnen vallen.

    Als leidinggevende moet je scherp blijven en continu werken aan een cultuur van sociale veiligheid. Dit betekent dat je omgangsregels afspreekt, toetst en bewaakt, zodat diversiteit, inclusie en gelijkwaardigheid niet slechts woorden blijven, maar daadwerkelijk worden nageleefd.

    Makkelijker gezegd dan gedaan… ga er maar aan staan.

  • Ongelijkheid, deel 1

    Ongelijkheid, deel 1

    Een schrijven uit 2020

    Soms kom je oude stukken tegen die je herinneren aan hoe je destijds dacht en voelde. Dit stuk schreef ik op 6 juni 2020 en ik heb ervoor gekozen om het ongewijzigd te laten en er een tweeluik van te maken. Anno nu zou ik sommige dingen anders formuleren, maar dit is een momentopname van mijn gedachten en ervaringen destijds.

    Genderrollen

    Gisteravond keek ik naar de herhaling van de documentaire Sign of the Times: Ongelijkheid op de NPO. Het ging voornamelijk over gender en hoe dat zich verhoudt tot cultuur en religie. De spreker die mij het meest aansprak, was Chimamanda Ngozi Adichie. Eerlijk gezegd had ik nog nooit van haar gehoord, totdat een stukje van haar feministische speech werd gebruikt in Beyoncé’s nummer Flawless. (Heerlijk nummer en ik ga er nog steeds lekker op, vooral de versie met Nicki Minaj.) Dat wekte mijn interesse en ik begon me wat meer in genderongelijkheid te verdiepen.

    Als het gaat om feminisme, merk ik dat mijn gevoelens en meningen daarover door de jaren heen veranderen en zich vormen. Ik ben geboren in Paramaribo, Suriname en opgegroeid in verschillende huishoudens, grotendeels bij mijn eigen grote familie met Javaans-Surinaamse invloeden. Een deel van mijn familie is moslim, een ander deel katholiek en weer een ander deel atheïst. Maar wat me vooral is bijgebleven uit mijn jeugd, is dat ik in een bepaalde rol moest passen, puur omdat ik een meisje was.

    Van jongs af aan verzette ik me daartegen. Ik wilde niet met Barbiepoppen spelen. Ik wilde bruggen bouwen en racen met auto’s. Ik was aan het ravotten met mijn buurjongen, klom in bomen en was vaak op het bouwterrein naast ons huis te vinden. Daar speelden we met de buurtkinderen regelmatig verstoppertje en klommen we op de onafgemaakte, veelal gevaarlijke, stellingen. Ik was een wild child, een echte tomboy (ik heb de littekens om het te bewijzen) en ik kreeg vaak op mijn kop, want ‘zo hoort een meisje zich niet te gedragen’.

    Op een dag, ik was een jaar of 7 of 8, kwam ik thuis van school en knipte uit boosheid eigenhandig mijn lange krullen af. Ik kan me niet meer precies herinneren wat mij ertoe had gezet. Mijn pleegmoeder was woedend. Maar voor mij voelde het als een daad van verzet, een manier om zelf te bepalen wie ik was en hoe ik eruitzag.

    Emigreren: nieuwe kansen, nieuwe verwachtingen

    Rond mijn 10e verhuisde ik naar Nederland en het voelde bevrijdend om hier andere kansen te hebben. Kansen die ik in Suriname niet had, binnen de Javaanse cultuur en kleine gemeenschap. En ik moet zeggen: ondanks dat mijn achternaam (toentertijd Gopal) nog Indiaas was, terwijl ik een mix ben van Javaanse en Negroïde afkomst, heb ik me in Nederland nooit openlijk gediscrimineerd gevoeld.

    Of misschien heb ik het niet gemerkt. Misschien gaf ik er gewoon niets om als iemand mij anders behandelde vanwege mijn afkomst. Ik wist wat ik wilde bereiken en weigerde om een slachtoffer te zijn vanwege mijn huidskleur, mijn accent, mijn geslacht, mijn opleiding, mijn afkomst of mijn seksuele voorkeur.

    Ik besefte toen ook wel dat zo’n houding niet de makkelijkste zou zijn. En dat was het ook zeker niet. Maar ik heb keihard gewerkt om de persoon te zijn die ik nu ben. Ik ben ontzettend trots op mezelf en op alle obstakels die ik heb overwonnen. Mijn strijd tegen genderrollen begon al op jonge leeftijd, maar pas later besefte ik hoeveel die vroege ervaringen me hebben gevormd. Het verzetten tegen verwachtingen heeft me niet alleen sterker gemaakt, maar ook geleerd dat groei niet zonder fouten komt.

    Toch veranderde mijn kijk op genderrollen in de jaren daarna. Waar ik me eerst verzette, begon ik later juist de aantrekkingskracht van traditionele rollen te voelen. Hoe dat gebeurde? In deel 2 daarover meer.

  • Groep 8 en de dag dat anderen mijn toekomst bepaalden

    Groep 8 en de dag dat anderen mijn toekomst bepaalden

    Ik was een vroege leerling. Of dat kwam doordat ik in april jarig was of omdat ik slim was en ik daadwerkelijk een klas had overgeslagen? Dat weet ik niet meer. Maar bij mijn verhuizing van Suriname naar Nederland, op 1 april 1994, mocht ik meteen in groep 8 beginnen. Ik was tien en de jongste van de klas.

    Hoewel we in Suriname ook Nederlands spraken, merkte ik al snel dat mijn taalgebruik ouderwets was en achterliep op de manier waarop in Nederland daadwerkelijk werd gesproken. Ik kwam terecht in een klas van 25 kinderen, waarvan 9 een migratieachtergrond hadden. De rest was wit en thank God for that, want ik geloof erin dat dat mij ook heeft geholpen om beter Nederlands te leren spreken en sneller van mijn accent af te komen. Ik hoorde de Nederlandse tongval constant om mij heen. Toen wist ik nog niet hoeveel impact dit klein detail later zou hebben. Enfin, ik dwaal af, want kinderen zijn kinderen: ik werd niet gepest, maar ze waren bruut eerlijk. Mijn taal, mijn accent en mijn beperkte kennis van de wereld werden zonder gêne dagelijks benoemd.

    In onze klas was het de norm om naar het vwo te gaan. Als net geïmporteerd kindje wilde ik dat natuurlijk ook. Niet dat ik precies wist wat het vwo inhield of hoe slim je daarvoor moest zijn, maar omdat iedereen dat wilde, wilde ik dat ook. Mijn wereld stortte dan ook in toen ik, als een van de weinigen, een havo-advies kreeg na de Citotoets. Ik kan mij nog goed herinneren hoe ik dit huilend aanhoorde tijdens het gesprek tussen meester Nieuwenhuyzen en mijn vader.

    Maar het werd nog erger. Terwijl ik daar zat, hoorde ik hen overleggen: “Was de havo eigenlijk wel haalbaar voor mij? Misschien was de mavo beter, gezien mijn taalniveau.”

    De mavo? De MAVO?! Nee. Dat was voor domme kinderen. Niemand in mijn klas ging naar de mavo. En ik? Ik wás slim. Ik wist zeker dat ik de havo aankon. Desnoods zou ik de hele zomer aan mijn Nederlands werken, als dat was, wat nodig was.

    Toch hoorde ik de volwassenen het met elkaar eens worden: de mavo was beter voor mij. En dat was het dan. Mijn lot en toekomst werden op dat moment door anderen bepaald. Niemand vroeg mij wat ík wilde of hoe ik erover dacht. Ik voelde me klein, alsof ik er niet toe deed in dat gesprek. Alsof mijn toekomst iets was waar ik slechts bij zat. Niet iets waar ik over meebesliste of onderdeel van was.

    Achteraf weet ik niet of ik überhaupt had gedurfd om iets te zeggen als dit mij toen was gevraagd. Als (inmiddels) elfjarige had ik voor mijn gevoel al een heel leven achter de rug, waarin mij was geleerd dat kinderen vooral niets te zeggen hadden. Dat meisjes geen grote mond moesten hebben. Dat ik vooral moest luisteren naar de grote mensen.

    Maar wist ik dat eigenlijk zelf niet veel beter?