Tag: CultuurVerschillen

  • Groep 8 en de dag dat anderen mijn toekomst bepaalden

    Groep 8 en de dag dat anderen mijn toekomst bepaalden

    Ik was een vroege leerling. Of dat kwam doordat ik in april jarig was of omdat ik slim was en ik daadwerkelijk een klas had overgeslagen? Dat weet ik niet meer. Maar bij mijn verhuizing van Suriname naar Nederland, op 1 april 1994, mocht ik meteen in groep 8 beginnen. Ik was tien en de jongste van de klas.

    Hoewel we in Suriname ook Nederlands spraken, merkte ik al snel dat mijn taalgebruik ouderwets was en achterliep op de manier waarop in Nederland daadwerkelijk werd gesproken. Ik kwam terecht in een klas van 25 kinderen, waarvan 9 een migratieachtergrond hadden. De rest was wit en thank God for that, want ik geloof erin dat dat mij ook heeft geholpen om beter Nederlands te leren spreken en sneller van mijn accent af te komen. Ik hoorde de Nederlandse tongval constant om mij heen. Toen wist ik nog niet hoeveel impact dit klein detail later zou hebben. Enfin, ik dwaal af, want kinderen zijn kinderen: ik werd niet gepest, maar ze waren bruut eerlijk. Mijn taal, mijn accent en mijn beperkte kennis van de wereld werden zonder gêne dagelijks benoemd.

    In onze klas was het de norm om naar het vwo te gaan. Als net geïmporteerd kindje wilde ik dat natuurlijk ook. Niet dat ik precies wist wat het vwo inhield of hoe slim je daarvoor moest zijn, maar omdat iedereen dat wilde, wilde ik dat ook. Mijn wereld stortte dan ook in toen ik, als een van de weinigen, een havo-advies kreeg na de Citotoets. Ik kan mij nog goed herinneren hoe ik dit huilend aanhoorde tijdens het gesprek tussen meester Nieuwenhuyzen en mijn vader.

    Maar het werd nog erger. Terwijl ik daar zat, hoorde ik hen overleggen: “Was de havo eigenlijk wel haalbaar voor mij? Misschien was de mavo beter, gezien mijn taalniveau.”

    De mavo? De MAVO?! Nee. Dat was voor domme kinderen. Niemand in mijn klas ging naar de mavo. En ik? Ik wás slim. Ik wist zeker dat ik de havo aankon. Desnoods zou ik de hele zomer aan mijn Nederlands werken, als dat was, wat nodig was.

    Toch hoorde ik de volwassenen het met elkaar eens worden: de mavo was beter voor mij. En dat was het dan. Mijn lot en toekomst werden op dat moment door anderen bepaald. Niemand vroeg mij wat ík wilde of hoe ik erover dacht. Ik voelde me klein, alsof ik er niet toe deed in dat gesprek. Alsof mijn toekomst iets was waar ik slechts bij zat. Niet iets waar ik over meebesliste of onderdeel van was.

    Achteraf weet ik niet of ik überhaupt had gedurfd om iets te zeggen als dit mij toen was gevraagd. Als (inmiddels) elfjarige had ik voor mijn gevoel al een heel leven achter de rug, waarin mij was geleerd dat kinderen vooral niets te zeggen hadden. Dat meisjes geen grote mond moesten hebben. Dat ik vooral moest luisteren naar de grote mensen.

    Maar wist ik dat eigenlijk zelf niet veel beter?