Tag: jarigZijn

  • Jarig zijn

    Jarig zijn

    Van het weekend was ik jarig. En de laatste jaren leverde mijn verjaardag best wat stress op. Niet zozeer om het ouder worden, maar meer om het besef dat ik, als het een beetje meezit, nog zo’n veertig jaar te gaan heb. Dat klinkt veel, maar ik nader wel al de helft. Sterker nog, misschien heb ik nog maar 38 fitte jaren te gaan.

    En dat besef roept spanning op. Druk. Omdat er nog zóveel is wat ik wil doen. Of eigenlijk, wat ik voel dat ik nog moet doen:

    • Afstuderen.
    • Eindelijk op mijn niveau werken.
    • Eindelijk in een omgeving waar ik mezelf kan én mag zijn.
    • Omringd zijn door mensen die mij echt kennen — in alles wat ik ben.
    • Een stabiele relatie (check!)
    • Een fijn gezin (check! Twee prachtige kinderen; al had ik er graag nog eentje bij gewild).
    • Een huis, nee, een thuis — waar ik me veilig voel en wat écht van mij is.

    Ik heb nog nooit écht iets gehad wat van mij was. Zelfs mijn eigen lichaam en geest hebben lange tijd niet als van mij gevoeld. Maar dit huis, dat we samen kochten, dit is van mij. En ik ben trots.

    En dan zijn er nog de dromen:

    • Een reis naar Japan. Naar Bali met mijn gezin.
    • Een sabbatical nemen. Financieel in de positie zijn om die tijd ook echt te kúnnen nemen.
    • Zodat ik een summer school kan doen aan de Hoge Hotelschool om mijn kook-skills te verdiepen.
    • Een boek schrijven. Over mijn leven.
    • Een baan vinden die genoeg oplevert om mijn leven te kunnen dragen, die me uitdaagt, plezier geeft én waarmee ik anderen help.
    • Echt iets van waarde bijdragen aan de samenleving.

    Zoveel nog te doen. En dat levert stress op.


    Ik kan me niet herinneren dat ik mijn verjaardag ooit heb gevierd in Suriname. Misschien gebeurde het wel, maar weet ik het niet meer. Ook in Nederland werd mijn verjaardag nauwelijks gevierd. Wat ik me wél herinner, zijn de momenten van stress rondom mijn verjaardag. Omdat ik weer straf had. Omdat er niemand kwam. Omdat er simpelweg geen aandacht aan werd besteed. Of niemand me feliciteerde.

    Ik heb me vaak eenzaam gevoeld, die eerste twintig jaar van mijn leven. En als ik daaraan terugdenk, voel ik nog steeds veel verdriet.

    Dus naast het besef dat ik nog zoveel wil doen in mijn leven, voel ik op mijn verjaardag ook de pijn van alles wat ik heb gemist. Cognitief weet ik: die tijd was niet voor niets. Het heeft me gevormd. Maar toch voel ik dat drukkende gevoel op mijn borst. Om alles wat ik heb gemist. Om de jaren waarin ik geen kind kon zijn. Geen onbezonnen tiener, geen zorgeloze studententijd met vrienden die je de rest van je leven bijblijven. Bijna niemand van toen, is nog in mijn leven. Niet omdat ze me niets deden, maar omdat ik ze niet kon vasthouden.

    En als ik eerlijk ben: ik wás toen ook geen fijne vriendin. Omdat ik zo met overleven bezig was, kon ik er simpelweg niet voor anderen zijn. Maar jeetje, wat was dat vermoeiend voor mijzelf en de ander. Ik had ook geen idee wie ik was — laat staan wie ik wilde zijn in relatie naar de ander.

    Ik zie het nu terug. Voor een therapeut of psycholoog misschien volkomen begrijpelijk, gezien mijn verleden. Maar voor de meeste mensen niet. Mijn gedrag was verwarrend, pijnlijk zelfs. Voor de ander, maar vooral voor mij. Want juist dát bevestigde weer die ene, giftige overtuiging die ik al zo lang met me meedroeg: ik ben niets waard. Iedereen laat me uiteindelijk toch in de steek.

    En dat maakt het zwaar. Voor iedereen. Want zeg nou zelf:

    • Het is vermoeiend om met iemand om te gaan die niet kan zien hoeveel moois er al is.
    • Het is zwaar om een vriendin te hebben die constant bevestiging zoekt.
    • Die zich snel aangevallen voelt.
    • Die hoge eisen stelt aan zichzelf omdat ze niet weet wie ze is en niet beter weet.
    • Die hoge eisen stelt aan de relatie, uit angst om verlaten te worden.

    Mooie self-fulfilling prophecy, hè?

    Wat ik het hardst probeerde te vermijden, heb ik jarenlang onbewust zelf gecreëerd. Hoe verdrietig is dat….


    Mijn eerste échte fijne herinnering aan mijn verjaardag was toen ik 16 werd. Een paar weken daarvoor, was ik door mijn vader uit huis gezet.

    Ik weet de precieze datum niet meer, maar het moet ergens in maart 1999 zijn geweest, de maand voor mijn 16e verjaardag. Ik zat in mijn examenjaar van de mavo, op het Thomas More College.

    Het was een ochtend zoals elk andere. Ik had slecht geslapen en was alweer vroeg wakker. Ik maakte me klaar, douchte snel, deed mijn kleren aan en keek gespannen in de spiegel: zag alles er goed uit? Ik controleerde mijn kamer. Was het bed netjes opgemaakt, was er geen rommel? Ik had mijn boterhammen gesmeerd, mijn tas ingepakt, de keuken achtergelaten zoals het hoorde. Alles klopte. Er mocht niets zijn waar mijn vader mij op kon betrappen.

    Het huis was smetteloos. Ik had geen opvallende kleren. Geen make-up op.

    Ik had hem nog niet gehoord en ik was muisstil geweest. Inmiddels was ik een ster in geluidloos bewegen. Ik sloop door het huis alsof ik onzichtbaar was. En mijn hart maakte een klein sprongetje, misschien zou ik deze ochtend aan zijn controle ontsnappen.

    Mijn vader controleerde me vaak. Wat ik aanhad. Wat er in mijn tas zat. Hoe ik de deur uitging. En als iets hem niet beviel, wat dat ook mocht zijn, dan moest ik me omkleden. Tot het hem wél aanstond. Dat ik dan te laat kwam op school, was mijn probleem. Had ik maar eerder op moeten staan.

    Ik opende zachtjes de schuifdeur naar de trap, stapte op mijn tenen naar beneden. Bijna bij de voordeur… en toen hoorde ik zijn slaapkamerdeur opengaan. Mijn hart zonk in mijn schoenen. Hij riep me na: of ik even naar boven wilde komen.

    Boven zat hij aan de ronde eettafel in de woonkamer. Kalm. Té kalm. Hij vroeg me te gaan zitten. Die kalmte kende ik. Hoe rustiger hij leek, hoe bozer hij meestal vanbinnen was.

    Hij begon over Judas, die Jezus verraden had. Ik had geen idee waar hij naartoe wilde. Ondertussen tikte de klok verder — ik zou weer te laat op school komen. En dat betekende nablijven. Kut, kut, kut.

    Hij vroeg of ik begreep wat dat verhaal betekende. Langzaam begon het te dagen. Vergeleek hij zichzelf nu met Jezus? Was hij serieus?

    Hij stelde vage vragen: wat ik van hem vond? Of ik het leuk vond om bij hem te wonen? Ik gaf natuurlijk de antwoorden die hij wilde horen. Daar was ik inmiddels in getraind, automatisch antwoorden. Als een robot, zonder erbij na te denken wat ik echt voelde of wilde. Maar in mijn buik voelde ik de knoop komen, druk op de borst, mijn hart in mijn keel….het gevaar en geweld zat er aan te komen.

    En toen legde hij ineens wat papieren op tafel. Ik herkende ze meteen. Kopieën van mijn dagboek.

    Hoe durfde hij?
    Mijn dagboek was misschien niet goed verstopt, maar het was het enige dat van míj was. Dacht ik. Maar ook daar had hij aangezeten. Hij had werkelijk alles van me afgepakt. Niets was van mij.

    Hij begon eruit voor te lezen. Mijn intiemste gedachten. Over hoe vreselijk ik het leven met hem vond. Over het psychologische geweld, het gaslighten, het manipuleren, de vernedering, het slaan, de angst. Hij las passages voor waarin ik het huis een gevangenis noemde. Een kamp. En hem vergeleek met Hitler.

    Er kwam een druk op mijn borst, mijn keel kneep dicht, ik werd duizelig. Wat ging hij doen? Hoe ging ik hieruit komen?

    Maar wonder boven wonder: er volgde geen geweld.
    Geen scheldpartij.
    Zijn riem bleef om.
    Ik hoefde me niet uit te kleden.

    In plaats daarvan zei hij dat hij de kopieën had doorgestuurd. Naar familie, naar vrienden. Mijn diepste gedachten, gedeeld zonder mijn toestemming. Zonder schaamte. De ultieme grensoverschrijding.

    Om te laten zien hoe ondankbaar ik was. Hij had me, zei hij, gered van een miezerig leven in Suriname. Alles voor mij gedaan. En dit was hoe ik hem terugbetaalde.

    Hij zei dat de familie geschrokken was van mijn woorden. Hoe durfde hij? Mijn meest persoonlijke gedachten, zonder schaamte gedeeld met anderen. De ultieme vernedering.

    En toen keek hij me glimlachend aan. Kalm. En hij zei: “Als het hier zo erg is, lever dan je sleutel maar in. En ga.”

    Ik kon het bijna niet geloven. Kon ik écht gaan? Zonder klappen? Was ik… vrij? Ik stond op. Ik leverde mijn sleutel in. Pakte mijn schooltas. Liep naar buiten. En toen de deur achter me dichtviel, voelde ik het: een enorme last gleed van me af.
    Ik was vrij.


    In een lichte, bijna euforische roes pakte ik de tram naar school. Ik was veel te laat en kreeg daar natuurlijk ook op mijn kop — maar het maakte me niets uit.

    Nooit meer hoefde ik te dealen met deze man, die beweerde mijn vader te zijn, maar me jarenlang had mishandeld; psychisch én lichamelijk. Die me had vernederd. Me had gestript van mijn identiteit, mijn eigen geest.

    Ik was vrij.

    Redelijk zorgeloos kwam ik de dag door, tot het einde naderde. Langzaam begon het tot me door te dringen: ik had geen idee waar ik naartoe moest na school. Oh nee, wat moest ik nu doen? En nog steeds vroeg ik niemand om hulp. Ik wist niet hoe. En ergens schaamde ik me ook.

    Uiteindelijk heb ik het aan een klasgenootje verteld. Zij nam me mee naar huis en vertelde haar ouders wat er gebeurd was. Er werd in het telefoonboek gezocht op mijn moeders achternaam. Ik wist dat de broer van mijn moeder in Den Haag woonde. Er waren gelukkig niet veel met die naam in Den Haag. Bij het tweede belletje hadden we beet.

    Mijn oom kwam mij later op de avond bij hen ophalen. Die weken werd er meteen een kamer en een bed voor me klaargemaakt. Ze kochten kleren voor me. Mijn oom leerde me koken en ik ontdekte dat ik dat eigenlijk heel leuk vond.

    En het allermooiste? Ik mocht mijn 16e verjaardag vieren. Een écht feestje. Met lekker eten die mijn oom speciaal voor mij had gemaakt, salsa dansen en vriendinnetjes die op bezoek kwamen. Ik was zó blij. Ik had nog nooit zoiets meegemaakt.

    Want dit was de eerste keer in mijn leven, dat ik me kan herinneren, dat mijn verjaardag écht werd gevierd.


    Ik had mezelf toen beloofd dat ik elk jaar mijn verjaardag zou vieren. De regie was nu aan mij, en die pakte ik ook.

    En hoe. Elk jaar een feestje. Een dinertje. Een dansje. Mooi aangekleed, lekkere muziek, soms een fotograaf. Altijd goed eten. Alles door mij geregeld. Betaald. Gecontroleerd.

    Het kostte vaak veel geld, vaak geld dat ik niet eens had. Maar ik wilde één ding zeker weten: dat het geen dag werd zoals vroeger. Geen stilte. Geen eenzaamheid. Geen vergeten worden.

    Ik dacht dat ik mijn verjaardag vierde uit vrijheid. Maar eigenlijk was het nog steeds een overlevingsmechanisme.
    Om te voorkomen dat niemand zou komen.
    Om te bewijzen dat ik het waard was.
    Om te verbloemen dat ik diep vanbinnen nog steeds bang was.

    Pas de laatste jaren begon het te schuiven.
    Ik stond erbij stil. Keek echt. En vroeg me af: voor wie doe ik dit eigenlijk?

    Ik realiseerde me dat die oude angst (van straf, vergeten worden, geen felicitatie krijgen) nog steeds in mijn systeem zat. Elk jaar kwam datzelfde gevoel weer boven drijven rond mijn verjaardag.

    En dat, terwijl ik inmiddels al jaren mooie mensen om me heen had verzameld. Mensen die van míj houden. Die er elk jaar weer zijn. Die hun best doen om me te feliciteren en erbij te zijn. Ik besloot dat ik me wilde richten op hén. Op de mensen bij wie ik mezelf kan zijn. Die het helemaal prima vinden, mijn verjaardag met mij vieren, ook zonder alle poespas erbij. En ja, ik vind het nog steeds moeilijk om te voelen dat ze er echt voor mij zijn.

    Dat hardnekkige gevoel van “ik ben niets waard” zit er toch nog. Ik werk er nog elke dag aan om dat gevoel los te laten. Maar ik heb ook geleerd dit over mezelf te accepteren want dit is waar ik nu ben. Ontkennen heeft geen zin. Wat wél helpt, is acceptatie. Ermee werken. Het verdriet toelaten.

    Leren om mijn emoties te reguleren. Nieuwe patronen, nieuwe gedachten, nieuwe ervaringen opbouwen in mijn hoofd; zodat de oude langzaam ruimte maken voor iets nieuws.

    Maar dat vraagt tijd. Therapie. Rust. Ontspanning. Stilstaan. Reflecteren. Leven in het hier en nu. Voelen wat ik voel. Erkennen waar het vandaan komt. Snappen dat het een oud gevoel is, een oud verdriet, dat opkomt in het nu.

    En juist dán, er aandacht aan geven. De emotie dragen. Reguleren. Om daarna me volledig te richten op wat het nú betekent. Op wat ik vandaag mag ervaren.


    En dit jaar? Mijn verjaardag is inmiddels geweest.

    Op de dag zelf stond ik heerlijk in de keuken. Koken, bakken, nieuwe gerechten uitproberen… ik heb dingen gedaan waar ik zó blij van word. Ik had oppas geregeld voor mijn zoontje, zodat ik mijn handen vrij had om rustig te koken. Ik had hulp gevraagd aan mijn partner en aangegeven wat ik van hem nodig had qua klaarzetten.

    Rond 14:00 merkte ik dat ik het niet ging redden. En daar was ‘ie weer: dat oude gevoel van perfectionisme. Ik herkende het, dus stopte ik. Heb er aandacht aan gegeven en toen heb ik hulp gevraagd aan mijn buren.

    Daarnaast besloot ik: alles wat ik nog wilde doen, ging ik niet afkrijgen in dat ene uur. Dus ik koos drie dingen om wél te doen. Zodat ik op tijd klaar zou zijn om mijn gasten te ontvangen en vooral: om te kunnen genieten van mijn verjaardag.

    Mijn schoonouders waren er, collega’s, buren, vrienden. Er werd voor me gezongen. En ik vond het lastig om daar een houding in te vinden. In het middelpunt staan is nu nog steeds niet mijn favoriete plek, omdat het ongemak geeft. Maar ik wil er wel staan, dus dat is de paradox die ik voel.

    Maar in plaats van dat gevoel weg te duwen, liet ik het er gewoon zijn. Dat ongemak. Want dat ben ik. En dat is oké. Ik ga mezelf niet meer onder druk zetten met gedachtes als: “je doet stom, je moet normaal doen.”

    In het ongemak voelde ik me tegelijk gezien én geliefd, en even weer dat kleine meisje van toen. Ik genoot van de aandacht, de mooie cadeaus, de lieve woorden, gesproken én geschreven. Ik liet het over me heen komen. En ik opende mijn hart om het echt binnen te laten komen.

    Het mocht er allemaal zijn. Ik ga mijzelf niet meer verbergen.

    Ik legde mezelf geen druk op om iedereen te vermaken. Ik liet mensen bij binnenkomst meteen weten waar alles stond. Pak wat je wil, voel je thuis. Zo had ik mijn handen vrij.
    En kon ik met iedereen een beetje kletsen.


    Later op de avond merkte ik dat mijn gedachten toch weer afdwaalden naar oude patronen.
    Naar de mensen die niet waren gekomen. Naar de mensen die niets van zich hadden laten horen. Ik voelde de stress weer opborrelen…en ik liet het maar gewoon komen.

    Ik merkte ook dat ik me schuldig begon te voelen. Al die cadeautjes die ik had gekregen…
    Ik dacht: “ik ben dit helemaal niet waard. Ik moet zó dankbaar zijn dat mensen zulke mooie, dure cadeaus voor me hebben meegenomen.

    En toen…toen betrapte ik mezelf.

    Nee, Kate.
    Je hoeft niet kleiner te worden.
    Je hoeft jezelf niet onder de ander te plaatsen.

    Mensen hebben cadeautjes meegenomen en zijn gekomen omdat ze jou leuk vinden.
    Omdat ze graag iets voor je wilden doen.
    Punt.

    Je hoeft nu niet extra dankbaar te zijn.
    Je hoeft niets terug te doen om het ‘goed te maken’.

    Het verschil? Ik herken het patroon en kies nu bewust anders. Ik ben aan het groeien. Ik word eindelijk… bewust bekwaam.

    Dus….
    Ik heb me écht jarig gevoeld. Geliefd.
    Dankbaar — voor mezelf en voor de mensen om me heen.