Een schrijven uit 2020
Soms kom je oude stukken tegen die je herinneren aan hoe je destijds dacht en voelde. Dit stuk schreef ik op 6 juni 2020 en ik heb ervoor gekozen om het ongewijzigd te laten en er een tweeluik van te maken. Anno nu zou ik sommige dingen anders formuleren, maar dit is een momentopname van mijn gedachten en ervaringen destijds.
Genderrollen
Gisteravond keek ik naar de herhaling van de documentaire Sign of the Times: Ongelijkheid op de NPO. Het ging voornamelijk over gender en hoe dat zich verhoudt tot cultuur en religie. De spreker die mij het meest aansprak, was Chimamanda Ngozi Adichie. Eerlijk gezegd had ik nog nooit van haar gehoord, totdat een stukje van haar feministische speech werd gebruikt in Beyoncé’s nummer Flawless. (Heerlijk nummer en ik ga er nog steeds lekker op, vooral de versie met Nicki Minaj.) Dat wekte mijn interesse en ik begon me wat meer in genderongelijkheid te verdiepen.
Als het gaat om feminisme, merk ik dat mijn gevoelens en meningen daarover door de jaren heen veranderen en zich vormen. Ik ben geboren in Paramaribo, Suriname en opgegroeid in verschillende huishoudens, grotendeels bij mijn eigen grote familie met Javaans-Surinaamse invloeden. Een deel van mijn familie is moslim, een ander deel katholiek en weer een ander deel atheïst. Maar wat me vooral is bijgebleven uit mijn jeugd, is dat ik in een bepaalde rol moest passen, puur omdat ik een meisje was.
Van jongs af aan verzette ik me daartegen. Ik wilde niet met Barbiepoppen spelen. Ik wilde bruggen bouwen en racen met auto’s. Ik was aan het ravotten met mijn buurjongen, klom in bomen en was vaak op het bouwterrein naast ons huis te vinden. Daar speelden we met de buurtkinderen regelmatig verstoppertje en klommen we op de onafgemaakte, veelal gevaarlijke, stellingen. Ik was een wild child, een echte tomboy (ik heb de littekens om het te bewijzen) en ik kreeg vaak op mijn kop, want ‘zo hoort een meisje zich niet te gedragen’.
Op een dag, ik was een jaar of 7 of 8, kwam ik thuis van school en knipte uit boosheid eigenhandig mijn lange krullen af. Ik kan me niet meer precies herinneren wat mij ertoe had gezet. Mijn pleegmoeder was woedend. Maar voor mij voelde het als een daad van verzet, een manier om zelf te bepalen wie ik was en hoe ik eruitzag.

Emigreren: nieuwe kansen, nieuwe verwachtingen
Rond mijn 10e verhuisde ik naar Nederland en het voelde bevrijdend om hier andere kansen te hebben. Kansen die ik in Suriname niet had, binnen de Javaanse cultuur en kleine gemeenschap. En ik moet zeggen: ondanks dat mijn achternaam (toentertijd Gopal) nog Indiaas was, terwijl ik een mix ben van Javaanse en Negroïde afkomst, heb ik me in Nederland nooit openlijk gediscrimineerd gevoeld.
Of misschien heb ik het niet gemerkt. Misschien gaf ik er gewoon niets om als iemand mij anders behandelde vanwege mijn afkomst. Ik wist wat ik wilde bereiken en weigerde om een slachtoffer te zijn vanwege mijn huidskleur, mijn accent, mijn geslacht, mijn opleiding, mijn afkomst of mijn seksuele voorkeur.
Ik besefte toen ook wel dat zo’n houding niet de makkelijkste zou zijn. En dat was het ook zeker niet. Maar ik heb keihard gewerkt om de persoon te zijn die ik nu ben. Ik ben ontzettend trots op mezelf en op alle obstakels die ik heb overwonnen. Mijn strijd tegen genderrollen begon al op jonge leeftijd, maar pas later besefte ik hoeveel die vroege ervaringen me hebben gevormd. Het verzetten tegen verwachtingen heeft me niet alleen sterker gemaakt, maar ook geleerd dat groei niet zonder fouten komt.
Toch veranderde mijn kijk op genderrollen in de jaren daarna. Waar ik me eerst verzette, begon ik later juist de aantrekkingskracht van traditionele rollen te voelen. Hoe dat gebeurde? In deel 2 daarover meer.
