Tag: PersoonlijkeOntwikkeling

  • De zorg… zo complex en gelaagd – maatwerk is nodig, maar daar is (nog) geen verdienmodel voor

    Long-read – 20 minuten

    Deze blog is ontstaan na het lezen van een LinkedIn bericht van straatarts Michelle van Tongerloo over een casus van een meisje dat zichtbaar hulp nodig had, maar overal “nee” te horen kreeg. De frustratie die daarop volgde, herken ik.

    Ik hoor en zie wat er gebeurt. Ik ben zelf ook onderdeel geweest van Jeugdzorg en het systeem. Daarnaast zie ik ook: dit soort problematiek is complex en duur. Heeft de samenleving dat geld wel om te betalen? Om maatwerk te leveren? Om echt te luisteren en echt te helpen? Hebben we als mens wel dat geduld? Hoe weten we of iemand de (duur) geboden hulp wel gaat aanpakken en afmaken?

    Want ja, zeg nou zelf: dat meisje had al een keer hulp niet afgemaakt. Kunnen we haar dat kwalijk nemen? Hoe vaak geven we iemand hulp? Wanneer is het een hopeloos geval? Ik vind dit echt ontzettend lastig om te beoordelen en er zwart-wit iets van te vinden. Dat kan ook bijna niet, omdat er maatwerk nodig is. Maar kunnen we dat wel geven?

    Ik ben dan misschien niet verslaafd geweest, maar ik had enorm veel schulden toen het niet goed met mij ging. Daarnaast wilde ik geen hulp, omdat ik als adolescent er echt in geloofde dat het aan de wereld lag en niet aan mij. Dus ik had zeker geen hulp nodig! Ik heb ook lang de hulp die geboden werd niet geaccepteerd. Ook ik kwam niet op afspraken, zei nee tegen een opname en beschermd wonen…

    Dus tja, wat kunnen hulpverleners en het systeem dan nog meer doen?

    Maar het gaat nu toch goed met je, Kate? Dus die omslag is er gekomen, toch?

    Wat maakte dat ik wél hulp ging accepteren? Toen ik met 80.000 euro schuld rock bottom bereikte. Geen vrienden had. Geen familie. Geen vast woonadres. Geen baan kon behouden omdat ik continu in een overlevingsstand zat. Dat gold ook voor het afmaken van een studie. Ik ging van de ene slechte partner naar de andere. Ik had alleen mensen om mij heen die misbruik maakten van het feit dat ik graag ergens bij wilde horen. Ik gaf daar dan ook te veel geld aan uit, geld dat ik niet had.

    Maar uiteindelijk, toen het slecht met mij ging, waren die mensen nergens te bekennen. Maar ook dat moest ik eerst ervaren voordat ik ging inzien dat liefde kopen niet werkt. Ja, tijdelijk – tijdens een feestje en wat gezelligheid – maar dan is dat voorbij en ben je weer alleen. En voel je je nog slechter dan voor het feestje.

    Pas toen ik letterlijk in mijn eentje op de grond zat, in de totale shit, begon ik te beseffen… waar ben ik mee bezig?? Als ik wil dat er iets verandert, dan ben ík de enige die hier iets aan gaat doen. Want een ander gaat het niet voor mij doen. Ik had inmiddels die kansen ook al verpest. En daardoor was het cirkeltje dan ook weer rond: mensen zijn kut en niet te vertrouwen, ik gedraag me daarnaar, en inderdaad: mensen zijn kut en niet te vertrouwen… De self fulfilling prophecy.

    En ergens was er ook een stemmetje in mij dat zei: ik wil niet dat anderen zeggen: “Zie je, ze is niets waard, want kijk maar wat ze allemaal doet.”

    Maar dat heeft wel even geduurd hoor. Ik was pas 27 toen dit mij begon te dagen. Op mijn 30ste was ik schuldenvrij. Dat is niet zomaar gegaan: ik heb daar 3 jaar hard voor gewerkt en van 50 euro per week geleefd. Alles gedaan om zoveel mogelijk geld te verdienen om mijn schulden af te betalen.

    Schuldenvrij… en toen?

    Was alles toen weer goed?

    Nee. Want toen pas had ik ruimte in mijn hoofd en lijf om gericht hulp te gaan zoeken. Pas toen kon ik therapie blijven volgen: intensieve therapie. Ben ik gaan investeren in het ontdekken wie ik ben en waarom. Gaan investeren in duurzame relaties. Geprobeerd om een baan te behouden. Een studie af te maken. Een stabiele relatie gekregen. Een gezin gevormd. Een plek gevonden waar ik belonging voelde, waar ik mijzelf kon zijn. Een vast woonadres. Contact gezocht met mijn familie…

    Maar ik kan me voorstellen dat de instanties waar ik vóór mijn 27e bij belandde ook gedacht hebben: “Ik zie dat ze een eerdere behandeling bij ons niet heeft afgemaakt, dus ik denk niet dat het zinvol is.”

    En daarnaast, als je ook kijkt naar mijn problematiek, die was zó gelaagd en complex.

    Ik heb eerst 3 jaar schuldhulpverlening nodig gehad. Daarna meerdere vormen van intensieve therapie: schematherapie, EMDR, psychodynamische groepstherapie, RET, heel veel 1-op-1-gesprekken, lichaamstherapie, systeemtherapie, ACT en familieopstellingen. En daarnaast fulltime moeten blijven werken, want het leven gaat door en je moet het leven kunnen blijven betalen. En dan ook nog relaties aangaan én een studie proberen te volgen.

    De laatste drie waren mij tijdens die intensieve periode overigens niet gelukt. Want daar was toen nog geen ruimte voor. Ik wilde ook te veel en te snel en alles tegelijk. Ik was niet goed in rust inbouwen. Niet goed in focus houden. Niet mild naar mezelf. Ik gaf mezelf geen tijd.

    Eerst moest ik weten wie ik was

    Pas in 2017, toen de ergste pijn verholpen was en ik weer een reset had gehad door een burn-out eind 2016, ontstond er ruimte om te gaan werken aan mijn identiteit. Ik kwam er namelijk achter dat een baan houden, een studie afmaken en stabiele (werk)relaties behouden mij niet zouden lukken zolang ik eerst niet wist wie ik was. Waarom ik zo was en wie ik dan wilde zijn in verhouding tot de ander in een relatie. Waar ik voor stond. Waar ik in geloofde. Wat míj́n mening was.

    Dus echt: identiteit. Die was ik namelijk kwijtgeraakt. Door jarenlange verwaarlozing, seksueel misbruik, lichamelijk geweld, psychisch geweld, emotioneel geweld, manipulatie, gaslighting, onthechting… Ik was helemaal gestript van mijn eigen identiteit. Totdat ik een mak en volgzaam lammetje was geworden, die zelf niet kon nadenken, maar heel goed orders kon opvolgen en zich kon aanpassen.

    De toxische relatie die ik met mijn vader had, was ik één op één gaan voortzetten in mijn liefdesrelaties. Ik voelde mij prettig bij mannen die mij vertelden wat ik moest doen, waarom, en hoe ik moest denken en leven. Dat gaf mij troost, herkenbaarheid en comfort. Dit waren gelukkig geen mannen die zo extreem waren als mijn vader… maar op den duur, als iemand zoveel macht over je heeft (omdat je die willingly gegeven hebt), dan wordt het gebruik van die macht ook enigszins normaal. En ik trok ook dat soort mannen aan. Ironisch genoeg.

    Hoe ik dat patroon heb doorbroken, hoor ik je denken?

    December 2015. De zoveelste liefdesrelatie ging stuk. Alleen was het dit keer een lieve man die oprecht het beste met mij voorhad. Bam. Dat was voor mij ook weer een wake-up call. Ik wilde niet iemand zijn die een ander zo pijn deed. Anders was ik geen haar beter dan mijn vader. (Ja mensen… ik begon zelf namelijk ook een monster te worden.)

    En ik zag ook in dat ik de relatie zelf gesaboteerd had. En wellicht lijkt het nu alsof ík alleen dingen had gedaan om de relatie om zeep te helpen, maar in een relatie zijn er altijd twee. Ik bagatelliseer zijn aandeel echt niet, ik hoef er alleen hier niet verder op in te gaan.

    Ik heb toen bewust de keuze gemaakt om een tijd vrijgezel te blijven. Eens zien wie ik was zonder man. Of ik dat alleen kon.

    En toen ik na twee jaar eindelijk weer eens echt wilde daten, heb ik letterlijk een lijst gemaakt van kwaliteiten die ik in mijn volgende liefdesrelatie terug wilde zien en wat ik absoluut níet meer wilde. Die lijst heb ik erbij gehouden toen ik mij inschreef bij InnerCircle (daten voor hoogopgeleiden. Ja ja, ook dat was een bewuste keuze ;-).

    En na twee jaar, voor het eerst echt single in mijn leven, vond ik in 2018 de liefde van mijn leven. Met wie ik nu nog steeds ben. En een prachtig gezin mee heb.

    Van vriendschap tot werkrelatie — identiteit in relatie tot de ander

    De problemen die ik ervaarde in liefdesrelaties sijpelden net zo hard door in vriendschappen. Alleen manifesteerden ze zich daar net iets anders.

    In vriendschappen stelde ik mijzelf altijd lager dan de ander. Ik had namelijk niet door dat mijn zelfwaarde nul was. En ik was een pleaser en een gever. Dus die relaties waren per definitie ongelijkwaardig. En ook daar deed ik het zelf. En ook daar trok ik dan dat soort mensen aan.

    Naarmate ik steeds meer een eigen identiteit kreeg, mijn grenzen ging aangeven en ook beter doorhad wanneer ik over grenzen van anderen ging, verdwenen die mensen vanzelf. Die heb ik dus tegenwoordig gelukkig niet meer. En ik heb nu al enkele jaren een stabiele groep mensen om mij heen, sommigen al sinds 2006.

    Ik voel mij geliefd, ondanks dat ik relaties, mezelf zijn en de ander dichtbij laten nog steeds heel ingewikkeld vindt. Dat is nog steeds een thema waar ik aan werk. Dit doe ik met lichaamstherapie en recentelijk heb ik ook boksen opgepakt.

    Waarom boksen, hoor ik je denken?

    Bij boksen moet je uit je hoofd. Je lijf moet ontspannen zijn en pas kracht inzetten op het moment dat je vuist de ander raakt. Maar boksen gaat ook over techniek. Over in flow raken met jezelf én met de ander. Het is een soort dans waarbij je de ander ziet, maar ook volledig bewust bent van je eigen handelingen en reactie.

    En als cherry on the pie: ik leer mezelf verdedigen! Zodat er nooit meer iemand ongevraagd aan mijn lijf kan zitten.

    En werk?

    Werkrelaties waren overigens het meest ingewikkeld.

    Ik wist daarin geen houding aan te nemen. Of ik was te open — vertelde te veel — wat mensen raar vonden, of die informatie werd tegen mij gebruikt. Óf ik vertelde juist heel weinig, liet weinig van mijzelf zien en was een loner. Geen teamplayer.

    En in werkrelaties kwam er ook nog een extra laag bij: hiërarchie, machtsverhoudingen, belangen, ego, incompetentie (van leidinggevenden)… fucking ingewikkeld.

    En even serieus: ik snapte daar heel lang, helemaal niets van.

    Ik heb een hele lange tijd heel zwart-wit naar werkrelaties gekeken. Dit is ook de grootste reden geweest waarom ik om de twee jaar van baan wisselde. Die verdomde werkrelaties. En hoe complexer ze zijn dan privérelaties.

    Enfin, een on-the-jobcoach, mentor of senior collega die hiervoor begrip heeft en mij wil begeleiden hierin, is voor mij de oplossing geweest. Uiteindelijk. Maar die mensen op werkgebied zijn vrij schaars… dus dat blijft elke keer weer een uitdaging.

    Van hoofd naar hart

    In de zoektocht naar mijn identiteit moest ik ook leren voelen. Want ik was heel erg in mijn hoofd gaan zitten. Cognitief wist ik wat ik moest doen, want ik ben gelukkig best slim en kan goed leren en theorie tot mij nemen. Maar ook dat hielp op een gegeven moment niet meer.

    Want: wat voelde ik nou eigenlijk?

    Ik had geen woorden voor die emoties, omdat ik niet wist wat ze betekenden. Dus ik moest dat als 30-plusser pas gaan leren. Stilstaan. Mezelf afvragen: wat voel ik? Waarom voel ik dit?

    Leren dat gevoel te reguleren. Want hiervoor stopte ik het weg of ging ik er gewoon overheen alsof het niet bestond. Waardoor ik indirect mezelf zelden serieus nam en systematisch over mijn eigen grenzen heen ging. Of liet gaan.

    Op zich, gezien mijn verleden, niet zo raar natuurlijk.

    Ik had jarenlang geleerd dat emoties uiten ‘slecht’ was. Of er werd simpelweg niet naar mij geluisterd als ik boos, bang, bedroefd of blij was. En áls ik iets daarvan uitte, werd ik genegeerd of geslagen. Uiteindelijk hou je dan wel op met voelen. En met het aandacht geven aan wat er in je leeft.

    Dus ik moest opnieuw leren voelen. En daar dan weer woorden aan geven. Zelfzorg toepassen. En dat vervolgens uitspreken, naar de ander toe. Mijn grenzen aangeven. Zonder mezelf neer te halen of kleiner te maken. En ook zonder de ander pijn te doen of een conflict te veroorzaken.

    Want doordat ik mijn eigen grenzen niet kende of respecteerde, deed ik dat bij de ander ook niet. Niet omdat ik lekker gemeen wilde zijn, maar omdat ik simpelweg niet herkende wat een grens was. Tenzij iemand héél duidelijk werd, bijvoorbeeld door boos te worden.

    Maar helaas zeggen mensen niet zo snel wat ze denken. Al helemaal niet in zakelijke context. Meestal wordt er dan een oordeel over je gevormd en kiest men stilletjes een andere weg.

    Daardoor voelde ik mij vaak ineens weer in de steek gelaten. En had ik geen idee waarom dat (weer) gebeurde….

    En ondertussen…

    En dat allemaal terwijl je te maken krijgt met een wereld – en mensen om je heen – die dit maar raar gedrag vinden. Omdat ze verwachten dat een 30-plusser wel beter weet. Omdat er aan de buitenkant niets aan mij te zien was.

    En ik was ondertussen mijn grootste criticus geworden. Ik haalde mezelf élke minuut neer in mijn hoofd en sprak lelijk over mezelf naar anderen toe. Creëerde een spotlight op de dingen die ik verkeerd deed en bleef in de schaduw als ik iets goeds deed. En bij de ander deed ik dat juist andersom: als anderen iets verkeerd deden, dan was ik mild en empathisch. En als anderen iets goed deden, dan stopte ik een hele bos veren in hun reet.

    Daardoor kwam ik erachter dat ik eerst van mezelf moest leren houden. Mezelf moest vergeven. Empathie moest ontwikkelen voor mezelf. Voordat ik dat naar de wereld toe kon doen en kon teruggeven.

    Jezelf vergeven — hoe ziet dat er dan uit?

    Doorhebben hoe naar je tegen jezelf praat. En wat dat met je eigenwaarde doet. Dan bewust ervoor kiezen om mild te zijn. En dat is echt rete moeilijk, trouwens. Daar moet je uitgerust voor zijn, scherp, fit en gezond. Dus was het ook van belang dat ik die aspecten in mijn leven op orde kreeg.

    Maar… het lukte.

    Daarnaast: perfectionisme verminderen. Nog steeds het beste willen behalen en kwaliteit willen leveren, maar niet meer ten koste van alles. Niet meer altijd die 10. Want perfectionisme zorgde voor stress. Voor alles alleen doen (want alleen ik kon het zo goed). Voor verkramping. Ik kon niet ontspannen, stond altijd aan, kon niet loslaten.

    Perfectionisme zorgde er ook voor dat ik alle lol verloor in dingen waar ik eigenlijk goed in ben. Want ik deed het niet meer omdat ik er blij van werd, maar omdat het perfect moest. En dat zorgde er dan ook weer voor dat ik geen besluiten durfde te nemen. Dat ik ging soggen (studie-ontwijkend gedrag), ging procrastineren, dingen niet afmaakte. Burned out raakte. Een kort lontje kreeg, slecht sliep en aaaaaaltijd moe was.

    Ik moest opnieuw leren focussen op wat wél goed ging. De mooie dingen in het leven zien. Dankbaarheid tonen. Genieten. Geen dingen meer doen waar ik geen energie van kreeg of waar ik niet blij van werd.

    Maar vooral: loslaten.

    En om dat te kunnen, moest ik wéten waar ik dan wél blij van werd. Dus ook daar ben ik een keer goed over na gaan denken. Door te gaan wandelen in de natuur, in stilte en alles op te schrijven wat er in mij opkwam.

    Brief aan mijn jongere zelf

    Lieve Kate,

    Ik weet dat je nu met buikpijn terugkijkt. Omdat je inmiddels gegroeid bent. Omdat je hebt geleerd van je fouten. Omdat je écht dingen anders wilt doen.

    Je hebt toentertijd dingen anders aangepakt. Je weet ook wel waardoor dat kwam. Aan de ene kant was het traumaverwerking. Aan de andere kant wist je gewoon niet beter. Doordat je je eigen trauma’s niet had verwerkt en zo slecht over jezelf dacht, plaatste je jezelf lager dan het laagst. Het maakte niet uit wat anderen met je deden en het meest pijnlijke is dat het ook niet uit leek te maken wat jij met jezelf deed.

    Je hebt heel lang geleefd als een ander persoon die jou gadesloeg. Een bepaalde vorm van constante dissociatie. Daardoor voelde het ook niet echt, als er iets met je gebeurde, of als jij iets bij een ander deed.

    Nu kun je wél reflecteren. Naar je eigen gedrag kijken. Het herkennen. Een andere keuze maken.

    Knap hoor. Want een 10 jaar geleden lukte dat nog niet helemaal.

    Kijk, het is niet heel gek dat je alles alleen wilde doen. Dat je op niemand vertrouwde. Dat je lange tijd alleen aan jezelf hebt kunnen denken. Daarnaast mis je op veel sociale aspecten en binnen interpersoonlijke relaties goede voorbeelden van hoe het wel of juist níet moet.

    Je hebt nooit grenzen geleerd. Waardoor je regelmatig over je eigen grenzen heen ging en ook over die van anderen. Meerdere malen. Zonder dat je het goed doorhad.

    Je hebt ook nooit geleerd je emoties te voelen. Er woorden aan te geven. Ze te uiten. En ze liefdevol aandacht te geven.

    Je stopte het meestal weg, of je dissocieerde, of je vertrok gewoon.

    Als je een keer wél de confrontatie aanging, dan was het te laat. Je ontplofte dan. Ging om je heen slaan.

    Je was gemeen. Hard. Veeleisend. Manipulatief. Loog. Stal…

    Ik krijg er buikpijn van als ik eraan denk. Ik schaam mij. Ik kan mijzelf bijna niet aankijken. Maar dat wil ik niet.

    Ik wil mezelf in de ogen aan kunnen kijken en zeggen:

    Ik begrijp waarom je dat allemaal gedaan hebt.

    Het was niet leuk…..voor jezelf niet en voor de mensen om je heen. Maar ik begrijp het. En ik vergeef je.

    Je was toen niet bij machte om er iets aan te doen. Maar nu wel.

    En je hébt het ook gedaan. En je bent het nog steeds aan het doen.

    En dat is mooi.

    Ik vergeef je.

    Het is tijd om nu te focussen op wat je de afgelopen jaren wél hebt gedaan. Op wat je hebt bereikt. Hoe hard je hebt gewerkt. Hoe liefdevol, zorgzaam, vrijgevig, gezellig en moedig je bent. Hoe goed je bent in koken, bakken, dansen, schrijven, helpen, zorgen, aanpakken, analyseren, genieten…

    Je mag nu ontspannen. Genieten van je mooie gezin. En van de sterke vrouw die je nu bent.

    Want dat heb jij helemaal zelf gedaan. En daar mag je TROTS op zijn.

    Liefs,
    de volwassen en gezonde Kate

    Dus… het is gelukt

    Ja en dat heb inderdaad helemaal zelf gedaan. Want het was mijn intrinsieke motivatie, mijn doorzettingskracht, mijn veerkracht, mijn moed, mijn brein die de beslissingen heeft genomen om iets te doen.

    Daarnaast was het fijn dat er zoiets bestond als de WSNP, de GGZ en Jeugdzorg. Die systemen waren niet perfect – de bureaucratie, de “computer says no”-houding, het gebrek aan maatwerk, tussen wal en schip vallen, overwerkt zorg-personeel (ja toen ook al) – maar tóch: ik ben blij dat ze er waren. Want ze hebben ook echt geholpen.

    En daarnaast: de mensen om mij heen. Mensen die, ondanks alle teleurstellingen, vaagheden, red flags, niet nagekomen afspraken, uitblijven van communicatie, vreemd gedrag – tóch naast mij bleven staan. En de helpende hand boden. Mensen die ik enorm waardeer voor hun empathie, goedheid, geduld, liefde, behulpzaamheid, zorgzaamheid. Voor hun vermogen om verder te kijken dan wat ze aan de oppervlakte zagen. Onder het topje van de ijsberg, naar de onderstroom.

    En… ook echt een beetje geluk.

    Maar je had toch complexe PTSS? Ben je dan genezen?

    Hahaha, was het maar zo’n feest. Nee. Het is nog steeds elke dag hard werken.

    Want leven met complexe PTSS is een beetje zoals leven met diabetes… het gaat goed, zolang je je suiker-waarden reguleert. Met complexe PTSS is dat net zo: het gaat goed, zolang ik mijn leefstijl continu aanpas aan wat ik nodig heb om in balans te blijven: lichamelijk én geestelijk.

    Waar ik nu soms nog tegenaan loop? Dat ik relaties, zowel met mezelf als met anderen, spannend blijf vinden. Ik verlang naar verbinding, maar hou soms onbewust afstand. Mijn gevoel van veiligheid zoek ik nog vaak buiten mezelf, waardoor ik alert blijf en mijn zelfwaarde afhankelijk maak van externe goedkeuring.

    Hoewel ik inhoudelijk sterk ben, laat ik dat niet altijd zien. Ik positioneer mezelf soms nog steeds kleiner, ondertitel mijn gedachten te weinig en laat erkenning lastig binnenkomen. Als het spannend wordt, ga ik compenseren met actie, controle of soms zelf weer perfectionisme.

    Ik ben nog steeds aan het leren om meer rust te vinden in wie ik ben, steviger te staan in mijn waarde en mijn plek écht in te nemen.

    Maar no worries — het zijn patronen. En ik zit in het proces van bewust onbekwaam naar bewust bekwaam. En dat is een mooie ervaring.

    Tot slot

    Dus ja… ik weet niet of ik zo zwart-wit kan zijn over onze gezondheidszorg. Het is zó complex. Er is talent, kennis en geld nodig om door de ellende heen te blijven kijken. En heel eerlijk? Dat kunnen maar weinig mensen. Is het dan zo raar dat het zorgsysteem al enige tijd vastloopt? Misschien is dat… menselijk.

    Ik kon zelf pas naar de onderstroom kijken – bij mezelf en bij anderen – toen ik eindelijk weer stevig stond. En dat kostte tijd. Meer dan 30 jaar.

    Dus nee, ik kan niet zwart-wit oordelen over de gezondheidszorg. De problematiek is te complex. En mensen… zijn ook gewoon mensen.

    Desondanks… snap ik de frustratie ook zeker!

  • Lichaamstherapie: voelen wat je niet wist

    Lichaamstherapie: voelen wat je niet wist

    Soms weet je iets al lang, maar voel je het nog niet. Of je voelt van alles, maar hebt geen idee waar het vandaan komt. In mijn geval: beiden.

    Toen ik begon met lichaamstherapie, wist ik rationeel al best veel over mezelf. Over mijn verleden, over mijn patronen, maar niet over hoe trauma zich vastzet in je lijf. Ik kon het uitleggen, analyseren, verklaren; iets waar ik heel goed in ben.

    Maar wat ik minder goed kon, was: voelen wat er in mijn lichaam gebeurde. En erop vertrouwen en het serieus nemen.

    Ik zat al een tijd in een intensief traject, met wekelijkse sessies bij een psycholoog. En dat werkte. Maar toch bleef mijn lijf in een staat van paraatheid, alsof er elk moment iets kon gebeuren. Zelfs als het stil was. Zelfs als er niets dreigends gebeurde. Zelfs als ik gewoon op een stoel zat. Continu gespannen en dat vrat veel energie.

    En wat ik ook merkte: op het moment dat er wel iets gebeurde, niet eens iets groots of destructiefs, maar gewoon… een klant die onredelijk was. Een leidinggevende die kortaf deed. Een collega die over mij sprak, in plaats van met mij. Een partner die dacht dat ik alles thuis wel op zou pakken. Een bonuszoon die me negeerde zonder het door te hebben… dan voel ik iets. Dan gaat er iets over mijn grens. Maar ik doe niets.

    Dans en lichaamstherapie – oefenen met bewegen

    De eerste:
    Ik had benoemd dat ik mij vaak klein voel tegenover autoritaire figuren. De therapeut vroeg mij in de ruimte dit uit te beelden. Ik ging zitten op de grond. Ze vroeg mij ook uit te beelden hoe die ander persoon er dan uit zag. Ik gaf aan dat zij ongeveer een meter van mij moest staan en op mij neer moest kijken met de handen in de zij.

    Ik voelde hoe klein ik me maak tegenover autoritaire mensen. Zelfs als er niets dreigends gebeurt, bevriest mijn systeem. Ondanks dat ik enorm veel spanning voel, ren ik niet weg. Ik zeg niets. Ik beweeg nauwelijks.

    Het is alsof ik mezelf kwijtraak. Alsof ik niet meer weet wat ik mag zeggen, doen of zelfs voelen. Alsof ik monddood ben.

    En dat is niet alleen frustrerend, het werkt me op de lange termijn tegen. Want ik zeg dan niet wat ik voel of denk, geef geen grenzen aan… en uiteindelijk komt het er wél uit. Bot. Onverwacht.

    Onbegrijpelijk voor de ander. Maar voor mij is het dan al maanden aan het borrelen.

    Waar het vandaan komt
    Als kind leerde ik dat ingaan tegen autoriteit gevaarlijk was. Mijn vader was streng, gewelddadig, manipulatief en gebruikte controle als machtsmiddel. Al vroeg begreep ik: als ik iets zeg wat hem niet zint, komt er straf, pijn of vernedering.

    Dus ik zei niets. Ik bevroor. Ik gehoorzaamde.
    Dat hield me fysiek veilig, maar ik verloor mijn stem, mijn ruimte, mijn autonomie.

    Tot op de dag van vandaag verstijf ik in zulke situaties. Niet omdat ik het wil. Maar omdat mijn systeem zegt: “Zeg niets. Doe niets. Anders komt het weer.”

    De tweede:
    De therapeut kwam naast mij zitten en plaatste haar handen naast de mijne. Ik voelde mijn lijf in staat van paraatheid gaan. Wat gebeurt hier? Wat komt ze doen? Ze kwam steeds een beetje dichterbij zitten. Gewoon, fysiek iets minder afstand. Ik raakte steeds meer in paniek en nog steeds deed ik niets, geen beweging, niets. En ineens werd het me te veel.

    Mijn hoofd zei: “Er is niets aan de hand.” Maar mijn lijf riep: “Gevaar!” Ik wilde wegrennen. Haar wegduwen. Verdwijnen.

    Waar het vandaan komt
    Ook dit herken ik uit mijn geschiedenis. Op jonge leeftijd maakte ik grensoverschrijdend gedrag mee: seksuele intimidatie, mishandeling, manipulatie, vaak door mensen die juist veiligheid hadden moeten bieden. Fysieke nabijheid is daardoor voor mij niet neutraal. Het is beladen.

    Ik verlang naar aanraking, naar verbinding, naar zachtheid. Maar mijn lichaam herinnert zich gevaar.
    Ik wil dichtbij zijn, maar iets in mij wil ook vluchten. Grenzen terugzetten die vroeger nooit zijn gerespecteerd.

    Dat wordt ook wel een gedesorganiseerde hechtingsstijl genoemd: ik zoek toenadering en vermijd die tegelijkertijd. En precies dát voelde ik in die sessie.

    Het besef

    Ik schrok van deze reacties. Ik dacht echt dat ik hier al verder in was. Dat ik dit ‘gedaan’ had. Maar lichaamstherapie werkt anders dan praten.

    Je kunt niet om jezelf heen. Je lijf liegt niet. En wat daar omhoogkomt, is vaak dieper dan je denkt.

    Wat ik zag
    Er zit nog veel angst in mij. En onveiligheid. Niet omdat mensen nu gevaarlijk zijn, maar omdat mijn systeem nog steeds reageert op oude dreiging. Zelfs als die er nu niet is.

    En dat raakte me. Want ik ben geen klein meisje meer. Ik ben een volwassen vrouw, partner, moeder, vriendin, werknemer, werkgever. Maar in dat moment voelde ik me precies zoals toen: klein, fysiek machteloos, zonder stem. Mijn lijf herkende de situatie als ‘onveilig’, ook al wist mijn hoofd dat dat niet zo was.

    Dat was het moment dat ik begreep: praten alleen is niet genoeg. Mijn zenuwstelsel had zijn eigen verhaal. En dat zei:

    “Je hebt me genegeerd. Maar ik ben er nog.”

    Wat betekent dit voor mij?

    Deze reacties zijn geen gebreken. Het zijn beschermingsmechanismen van een zenuwstelsel dat jarenlang getraind is in overleven.

    • Mijn bevriezing.
    • Mijn paniek.
    • Mijn angst.
    • Mijn moeite met nabijheid.
    • Mijn moeite met autoritaire gedrag.
    • Mijn moeite met onrecht.
    • Mijn drang naar gelijkwaardigheid.

    Ze hielpen me ooit om pijn te overleven. Alleen ben ik niet meer dat kleine meisje, alleen weet mijn lichaam dat nog niet altijd. Daarom is praten soms niet genoeg. Mijn lijf moet leren dat het nu wél veilig is.

    En dat is precies waar lichaamstherapie bij helpt.

    Wat ik ervan leerde

    Wat ik dus leer, is te luisteren. Niet naar gedachten, maar naar signalen.

    • Naar trillende wangen, een brok in mijn keel, buikpijn, gespannen schouders.
    • Naar hoe ik soms automatisch wegdraai van iemand zonder dat ik het door heb.
    • Hoe mijn lijf zich aanspant als iemand dichtbij komt.
    • Hoe ik schrik van de ander, als die fysiek te dicht bij me staat.
    • En hoe dichter iemand komt, hoe meer mijn systeem roept:“Nee, nee, raak me niet aan, ga weg.”

    Tegelijkertijd weet ik ook: ik verlang naar nabijheid. Ik wil dat aanraking oké voelt. Dat een knuffel rust geeft.
    Maar ik ben bang dat als iemand zijn armen om me heen slaat, ik eerst verstijf… en dan in huilen uitbarst. Gewoon, omdat ik dat zo gemist heb in de eerste 20 jaar van mijn leven.

    Ik leer ook: oefenen met ontspanning. Niet door te denken “nu ontspannen”, maar door te ademen, te bewegen, te voelen.

    Soms lukt dat. Soms helemaal niet.
    En ja, dat frustreert me. Ik wil dat het sneller gaat.
    Maar dan zeg ik tegen mezelf: het is oké dat je je zo voelt. Laat het er maar zijn. Forceer het niet.

    Maar ook: dat ik het wél mag ontvangen. Dat ik steun mag toelaten, zelfs als alles in mij eerst “nee!” roept.

    Wat heb ik nodig en ben ik dus aan het leren?

    1. Veiligheid die ik zelf kan oproepen en niet alleen van anderen hoef te krijgen. Dit doe ik via lichaamsoefeningen, grenzen aangeven en mildheid voor het kleine meisje in mij.
    2. Erkenning van mensen die me zien zoals ik ben, zodat ik me aan hen kan spiegelen.
    3. Ruimte om niet ‘af’ te hoeven zijn. Ik mag oefenen. Vallen. Opstaan. En daarin zacht blijven voor mezelf.

    En verder

    Ik ben ruimte aan het geven aan dat kleine meisje in mij. Niet door haar weg te duwen. Niet door harder te werken. Niet door ‘normaal te doen’.

    Maar door te zeggen:

    “Ik zie je. Ik snap waarom je zo reageert. En ik blijf.”

    Je mag voelen wat je voelt. Ook als het frustrerend is.
    Dat is oké.
    Er komt een moment dat het je niet meer raakt.
    Vertrouw daarop omdat je ook op jezelf mag vertrouwen.
    Op de mensen die van je houden.
    En op de keuzes die je nu maakt.

    Dat is herstel: Geen groot gebaar. Geen snel resultaat.

    Maar stil. Geduldig. Liefdevol.

    Elke keer dat ik voel, stilsta en niets wegduw, herschrijf ik iets ouds.

    En ja, het gaat langzaam. Soms frustrerend langzaam. Maar ik doe het. En ik mag mezelf daar dankbaar voor zijn.

    Voor wie dit herkent

    Als je dit leest en denkt: dit herken ik……weet dan dat je niet de enige bent.
    Misschien ben je, net als ik, goed in aanpassen, analyseren, sterk zijn. Maar zit er onder de oppervlakte iets dat al heel lang wacht op aandacht.

    Het hoeft niet in één keer.
    Het hoeft niet perfect.

    Je mag gaan luisteren. Je mag zacht zijn. Je mag oefenen.

    Jij weet waar je bent. En waar je al doorheen bent gegaan.

    Het is niet erg als je het niet eerder zag. Het belangrijkste is dat je het nu ziet.

    Want vroeger heeft je gevormd. Maar het is niet wie je bent.
    (Wijze woorden van mijn docent Wouter aan de HHS)

    Dat is wat ik doe. En dat is al heel wat. En zo is het …..

    Simple Fridays – inspiratie voor werk en leven door het delen van mijn persoonlijke verhalen, voor een bewuster leven.
    Ik hoop hiermee erkenning, herkenning, inspiratie en een beetje hoop te geven aan ieder die hiermee dealt.

  • Jarig zijn

    Jarig zijn

    Van het weekend was ik jarig. En de laatste jaren leverde mijn verjaardag best wat stress op. Niet zozeer om het ouder worden, maar meer om het besef dat ik, als het een beetje meezit, nog zo’n veertig jaar te gaan heb. Dat klinkt veel, maar ik nader wel al de helft. Sterker nog, misschien heb ik nog maar 38 fitte jaren te gaan.

    En dat besef roept spanning op. Druk. Omdat er nog zóveel is wat ik wil doen. Of eigenlijk, wat ik voel dat ik nog moet doen:

    • Afstuderen.
    • Eindelijk op mijn niveau werken.
    • Eindelijk in een omgeving waar ik mezelf kan én mag zijn.
    • Omringd zijn door mensen die mij echt kennen — in alles wat ik ben.
    • Een stabiele relatie (check!)
    • Een fijn gezin (check! Twee prachtige kinderen; al had ik er graag nog eentje bij gewild).
    • Een huis, nee, een thuis — waar ik me veilig voel en wat écht van mij is.

    Ik heb nog nooit écht iets gehad wat van mij was. Zelfs mijn eigen lichaam en geest hebben lange tijd niet als van mij gevoeld. Maar dit huis, dat we samen kochten, dit is van mij. En ik ben trots.

    En dan zijn er nog de dromen:

    • Een reis naar Japan. Naar Bali met mijn gezin.
    • Een sabbatical nemen. Financieel in de positie zijn om die tijd ook echt te kúnnen nemen.
    • Zodat ik een summer school kan doen aan de Hoge Hotelschool om mijn kook-skills te verdiepen.
    • Een boek schrijven. Over mijn leven.
    • Een baan vinden die genoeg oplevert om mijn leven te kunnen dragen, die me uitdaagt, plezier geeft én waarmee ik anderen help.
    • Echt iets van waarde bijdragen aan de samenleving.

    Zoveel nog te doen. En dat levert stress op.


    Ik kan me niet herinneren dat ik mijn verjaardag ooit heb gevierd in Suriname. Misschien gebeurde het wel, maar weet ik het niet meer. Ook in Nederland werd mijn verjaardag nauwelijks gevierd. Wat ik me wél herinner, zijn de momenten van stress rondom mijn verjaardag. Omdat ik weer straf had. Omdat er niemand kwam. Omdat er simpelweg geen aandacht aan werd besteed. Of niemand me feliciteerde.

    Ik heb me vaak eenzaam gevoeld, die eerste twintig jaar van mijn leven. En als ik daaraan terugdenk, voel ik nog steeds veel verdriet.

    Dus naast het besef dat ik nog zoveel wil doen in mijn leven, voel ik op mijn verjaardag ook de pijn van alles wat ik heb gemist. Cognitief weet ik: die tijd was niet voor niets. Het heeft me gevormd. Maar toch voel ik dat drukkende gevoel op mijn borst. Om alles wat ik heb gemist. Om de jaren waarin ik geen kind kon zijn. Geen onbezonnen tiener, geen zorgeloze studententijd met vrienden die je de rest van je leven bijblijven. Bijna niemand van toen, is nog in mijn leven. Niet omdat ze me niets deden, maar omdat ik ze niet kon vasthouden.

    En als ik eerlijk ben: ik wás toen ook geen fijne vriendin. Omdat ik zo met overleven bezig was, kon ik er simpelweg niet voor anderen zijn. Maar jeetje, wat was dat vermoeiend voor mijzelf en de ander. Ik had ook geen idee wie ik was — laat staan wie ik wilde zijn in relatie naar de ander.

    Ik zie het nu terug. Voor een therapeut of psycholoog misschien volkomen begrijpelijk, gezien mijn verleden. Maar voor de meeste mensen niet. Mijn gedrag was verwarrend, pijnlijk zelfs. Voor de ander, maar vooral voor mij. Want juist dát bevestigde weer die ene, giftige overtuiging die ik al zo lang met me meedroeg: ik ben niets waard. Iedereen laat me uiteindelijk toch in de steek.

    En dat maakt het zwaar. Voor iedereen. Want zeg nou zelf:

    • Het is vermoeiend om met iemand om te gaan die niet kan zien hoeveel moois er al is.
    • Het is zwaar om een vriendin te hebben die constant bevestiging zoekt.
    • Die zich snel aangevallen voelt.
    • Die hoge eisen stelt aan zichzelf omdat ze niet weet wie ze is en niet beter weet.
    • Die hoge eisen stelt aan de relatie, uit angst om verlaten te worden.

    Mooie self-fulfilling prophecy, hè?

    Wat ik het hardst probeerde te vermijden, heb ik jarenlang onbewust zelf gecreëerd. Hoe verdrietig is dat….


    Mijn eerste échte fijne herinnering aan mijn verjaardag was toen ik 16 werd. Een paar weken daarvoor, was ik door mijn vader uit huis gezet.

    Ik weet de precieze datum niet meer, maar het moet ergens in maart 1999 zijn geweest, de maand voor mijn 16e verjaardag. Ik zat in mijn examenjaar van de mavo, op het Thomas More College.

    Het was een ochtend zoals elk andere. Ik had slecht geslapen en was alweer vroeg wakker. Ik maakte me klaar, douchte snel, deed mijn kleren aan en keek gespannen in de spiegel: zag alles er goed uit? Ik controleerde mijn kamer. Was het bed netjes opgemaakt, was er geen rommel? Ik had mijn boterhammen gesmeerd, mijn tas ingepakt, de keuken achtergelaten zoals het hoorde. Alles klopte. Er mocht niets zijn waar mijn vader mij op kon betrappen.

    Het huis was smetteloos. Ik had geen opvallende kleren. Geen make-up op.

    Ik had hem nog niet gehoord en ik was muisstil geweest. Inmiddels was ik een ster in geluidloos bewegen. Ik sloop door het huis alsof ik onzichtbaar was. En mijn hart maakte een klein sprongetje, misschien zou ik deze ochtend aan zijn controle ontsnappen.

    Mijn vader controleerde me vaak. Wat ik aanhad. Wat er in mijn tas zat. Hoe ik de deur uitging. En als iets hem niet beviel, wat dat ook mocht zijn, dan moest ik me omkleden. Tot het hem wél aanstond. Dat ik dan te laat kwam op school, was mijn probleem. Had ik maar eerder op moeten staan.

    Ik opende zachtjes de schuifdeur naar de trap, stapte op mijn tenen naar beneden. Bijna bij de voordeur… en toen hoorde ik zijn slaapkamerdeur opengaan. Mijn hart zonk in mijn schoenen. Hij riep me na: of ik even naar boven wilde komen.

    Boven zat hij aan de ronde eettafel in de woonkamer. Kalm. Té kalm. Hij vroeg me te gaan zitten. Die kalmte kende ik. Hoe rustiger hij leek, hoe bozer hij meestal vanbinnen was.

    Hij begon over Judas, die Jezus verraden had. Ik had geen idee waar hij naartoe wilde. Ondertussen tikte de klok verder — ik zou weer te laat op school komen. En dat betekende nablijven. Kut, kut, kut.

    Hij vroeg of ik begreep wat dat verhaal betekende. Langzaam begon het te dagen. Vergeleek hij zichzelf nu met Jezus? Was hij serieus?

    Hij stelde vage vragen: wat ik van hem vond? Of ik het leuk vond om bij hem te wonen? Ik gaf natuurlijk de antwoorden die hij wilde horen. Daar was ik inmiddels in getraind, automatisch antwoorden. Als een robot, zonder erbij na te denken wat ik echt voelde of wilde. Maar in mijn buik voelde ik de knoop komen, druk op de borst, mijn hart in mijn keel….het gevaar en geweld zat er aan te komen.

    En toen legde hij ineens wat papieren op tafel. Ik herkende ze meteen. Kopieën van mijn dagboek.

    Hoe durfde hij?
    Mijn dagboek was misschien niet goed verstopt, maar het was het enige dat van míj was. Dacht ik. Maar ook daar had hij aangezeten. Hij had werkelijk alles van me afgepakt. Niets was van mij.

    Hij begon eruit voor te lezen. Mijn intiemste gedachten. Over hoe vreselijk ik het leven met hem vond. Over het psychologische geweld, het gaslighten, het manipuleren, de vernedering, het slaan, de angst. Hij las passages voor waarin ik het huis een gevangenis noemde. Een kamp. En hem vergeleek met Hitler.

    Er kwam een druk op mijn borst, mijn keel kneep dicht, ik werd duizelig. Wat ging hij doen? Hoe ging ik hieruit komen?

    Maar wonder boven wonder: er volgde geen geweld.
    Geen scheldpartij.
    Zijn riem bleef om.
    Ik hoefde me niet uit te kleden.

    In plaats daarvan zei hij dat hij de kopieën had doorgestuurd. Naar familie, naar vrienden. Mijn diepste gedachten, gedeeld zonder mijn toestemming. Zonder schaamte. De ultieme grensoverschrijding.

    Om te laten zien hoe ondankbaar ik was. Hij had me, zei hij, gered van een miezerig leven in Suriname. Alles voor mij gedaan. En dit was hoe ik hem terugbetaalde.

    Hij zei dat de familie geschrokken was van mijn woorden. Hoe durfde hij? Mijn meest persoonlijke gedachten, zonder schaamte gedeeld met anderen. De ultieme vernedering.

    En toen keek hij me glimlachend aan. Kalm. En hij zei: “Als het hier zo erg is, lever dan je sleutel maar in. En ga.”

    Ik kon het bijna niet geloven. Kon ik écht gaan? Zonder klappen? Was ik… vrij? Ik stond op. Ik leverde mijn sleutel in. Pakte mijn schooltas. Liep naar buiten. En toen de deur achter me dichtviel, voelde ik het: een enorme last gleed van me af.
    Ik was vrij.


    In een lichte, bijna euforische roes pakte ik de tram naar school. Ik was veel te laat en kreeg daar natuurlijk ook op mijn kop — maar het maakte me niets uit.

    Nooit meer hoefde ik te dealen met deze man, die beweerde mijn vader te zijn, maar me jarenlang had mishandeld; psychisch én lichamelijk. Die me had vernederd. Me had gestript van mijn identiteit, mijn eigen geest.

    Ik was vrij.

    Redelijk zorgeloos kwam ik de dag door, tot het einde naderde. Langzaam begon het tot me door te dringen: ik had geen idee waar ik naartoe moest na school. Oh nee, wat moest ik nu doen? En nog steeds vroeg ik niemand om hulp. Ik wist niet hoe. En ergens schaamde ik me ook.

    Uiteindelijk heb ik het aan een klasgenootje verteld. Zij nam me mee naar huis en vertelde haar ouders wat er gebeurd was. Er werd in het telefoonboek gezocht op mijn moeders achternaam. Ik wist dat de broer van mijn moeder in Den Haag woonde. Er waren gelukkig niet veel met die naam in Den Haag. Bij het tweede belletje hadden we beet.

    Mijn oom kwam mij later op de avond bij hen ophalen. Die weken werd er meteen een kamer en een bed voor me klaargemaakt. Ze kochten kleren voor me. Mijn oom leerde me koken en ik ontdekte dat ik dat eigenlijk heel leuk vond.

    En het allermooiste? Ik mocht mijn 16e verjaardag vieren. Een écht feestje. Met lekker eten die mijn oom speciaal voor mij had gemaakt, salsa dansen en vriendinnetjes die op bezoek kwamen. Ik was zó blij. Ik had nog nooit zoiets meegemaakt.

    Want dit was de eerste keer in mijn leven, dat ik me kan herinneren, dat mijn verjaardag écht werd gevierd.


    Ik had mezelf toen beloofd dat ik elk jaar mijn verjaardag zou vieren. De regie was nu aan mij, en die pakte ik ook.

    En hoe. Elk jaar een feestje. Een dinertje. Een dansje. Mooi aangekleed, lekkere muziek, soms een fotograaf. Altijd goed eten. Alles door mij geregeld. Betaald. Gecontroleerd.

    Het kostte vaak veel geld, vaak geld dat ik niet eens had. Maar ik wilde één ding zeker weten: dat het geen dag werd zoals vroeger. Geen stilte. Geen eenzaamheid. Geen vergeten worden.

    Ik dacht dat ik mijn verjaardag vierde uit vrijheid. Maar eigenlijk was het nog steeds een overlevingsmechanisme.
    Om te voorkomen dat niemand zou komen.
    Om te bewijzen dat ik het waard was.
    Om te verbloemen dat ik diep vanbinnen nog steeds bang was.

    Pas de laatste jaren begon het te schuiven.
    Ik stond erbij stil. Keek echt. En vroeg me af: voor wie doe ik dit eigenlijk?

    Ik realiseerde me dat die oude angst (van straf, vergeten worden, geen felicitatie krijgen) nog steeds in mijn systeem zat. Elk jaar kwam datzelfde gevoel weer boven drijven rond mijn verjaardag.

    En dat, terwijl ik inmiddels al jaren mooie mensen om me heen had verzameld. Mensen die van míj houden. Die er elk jaar weer zijn. Die hun best doen om me te feliciteren en erbij te zijn. Ik besloot dat ik me wilde richten op hén. Op de mensen bij wie ik mezelf kan zijn. Die het helemaal prima vinden, mijn verjaardag met mij vieren, ook zonder alle poespas erbij. En ja, ik vind het nog steeds moeilijk om te voelen dat ze er echt voor mij zijn.

    Dat hardnekkige gevoel van “ik ben niets waard” zit er toch nog. Ik werk er nog elke dag aan om dat gevoel los te laten. Maar ik heb ook geleerd dit over mezelf te accepteren want dit is waar ik nu ben. Ontkennen heeft geen zin. Wat wél helpt, is acceptatie. Ermee werken. Het verdriet toelaten.

    Leren om mijn emoties te reguleren. Nieuwe patronen, nieuwe gedachten, nieuwe ervaringen opbouwen in mijn hoofd; zodat de oude langzaam ruimte maken voor iets nieuws.

    Maar dat vraagt tijd. Therapie. Rust. Ontspanning. Stilstaan. Reflecteren. Leven in het hier en nu. Voelen wat ik voel. Erkennen waar het vandaan komt. Snappen dat het een oud gevoel is, een oud verdriet, dat opkomt in het nu.

    En juist dán, er aandacht aan geven. De emotie dragen. Reguleren. Om daarna me volledig te richten op wat het nú betekent. Op wat ik vandaag mag ervaren.


    En dit jaar? Mijn verjaardag is inmiddels geweest.

    Op de dag zelf stond ik heerlijk in de keuken. Koken, bakken, nieuwe gerechten uitproberen… ik heb dingen gedaan waar ik zó blij van word. Ik had oppas geregeld voor mijn zoontje, zodat ik mijn handen vrij had om rustig te koken. Ik had hulp gevraagd aan mijn partner en aangegeven wat ik van hem nodig had qua klaarzetten.

    Rond 14:00 merkte ik dat ik het niet ging redden. En daar was ‘ie weer: dat oude gevoel van perfectionisme. Ik herkende het, dus stopte ik. Heb er aandacht aan gegeven en toen heb ik hulp gevraagd aan mijn buren.

    Daarnaast besloot ik: alles wat ik nog wilde doen, ging ik niet afkrijgen in dat ene uur. Dus ik koos drie dingen om wél te doen. Zodat ik op tijd klaar zou zijn om mijn gasten te ontvangen en vooral: om te kunnen genieten van mijn verjaardag.

    Mijn schoonouders waren er, collega’s, buren, vrienden. Er werd voor me gezongen. En ik vond het lastig om daar een houding in te vinden. In het middelpunt staan is nu nog steeds niet mijn favoriete plek, omdat het ongemak geeft. Maar ik wil er wel staan, dus dat is de paradox die ik voel.

    Maar in plaats van dat gevoel weg te duwen, liet ik het er gewoon zijn. Dat ongemak. Want dat ben ik. En dat is oké. Ik ga mezelf niet meer onder druk zetten met gedachtes als: “je doet stom, je moet normaal doen.”

    In het ongemak voelde ik me tegelijk gezien én geliefd, en even weer dat kleine meisje van toen. Ik genoot van de aandacht, de mooie cadeaus, de lieve woorden, gesproken én geschreven. Ik liet het over me heen komen. En ik opende mijn hart om het echt binnen te laten komen.

    Het mocht er allemaal zijn. Ik ga mijzelf niet meer verbergen.

    Ik legde mezelf geen druk op om iedereen te vermaken. Ik liet mensen bij binnenkomst meteen weten waar alles stond. Pak wat je wil, voel je thuis. Zo had ik mijn handen vrij.
    En kon ik met iedereen een beetje kletsen.


    Later op de avond merkte ik dat mijn gedachten toch weer afdwaalden naar oude patronen.
    Naar de mensen die niet waren gekomen. Naar de mensen die niets van zich hadden laten horen. Ik voelde de stress weer opborrelen…en ik liet het maar gewoon komen.

    Ik merkte ook dat ik me schuldig begon te voelen. Al die cadeautjes die ik had gekregen…
    Ik dacht: “ik ben dit helemaal niet waard. Ik moet zó dankbaar zijn dat mensen zulke mooie, dure cadeaus voor me hebben meegenomen.

    En toen…toen betrapte ik mezelf.

    Nee, Kate.
    Je hoeft niet kleiner te worden.
    Je hoeft jezelf niet onder de ander te plaatsen.

    Mensen hebben cadeautjes meegenomen en zijn gekomen omdat ze jou leuk vinden.
    Omdat ze graag iets voor je wilden doen.
    Punt.

    Je hoeft nu niet extra dankbaar te zijn.
    Je hoeft niets terug te doen om het ‘goed te maken’.

    Het verschil? Ik herken het patroon en kies nu bewust anders. Ik ben aan het groeien. Ik word eindelijk… bewust bekwaam.

    Dus….
    Ik heb me écht jarig gevoeld. Geliefd.
    Dankbaar — voor mezelf en voor de mensen om me heen.

  • De rol van lezen in mijn herstel

    De rol van lezen in mijn herstel

    (+8 boeken die hieraan bijdroegen)

    Let op: In deze blog deel ik mijn persoonlijke ervaringen met trauma, misbruik en herstel. Dit kan confronterend zijn. Lees verder als je je hier prettig bij voelt en neem pauzes als dat nodig is. 💙

    In Suriname las ik weinig boeken. Ik kan me ook niet herinneren dat er überhaupt boeken waren in de vele huizen en het internaat waar ik heb gewoond. Mijn liefde voor lezen ontstond pas na mijn aankomst in Nederland, op 1 april 1994. Mijn biologische vader woonde toen al in Nederland. Ik wist wie hij was, we hadden elkaar eerder ontmoet in Suriname, ik had zelfs foto’s van mij als baby met hem, en hij stuurde regelmatig spullen vanuit Nederland naar mij.

    Voor mij was mijn vader mijn redder, degene die mij kon verlossen van mijn leven in Suriname. Hoe blij was ik dan ook toen hij naar Suriname kwam en mij vroeg of ik met hem mee wilde naar Nederland. Zonder enige twijfel zei ik meteen JA! Ik stond er helemaal niet bij stil dat ik eigenlijk meeging met een man die ik amper kende, naar een land dat volledig vreemd voor mij was. Op dat moment maakte dat me niets uit; alles was beter dan Suriname. Zo stapte ik op 31 maart 1994, onder begeleiding van een KLM-stewardess, in mijn eentje in het vliegtuig naar Nederland.

    Als vers geïmporteerd meisje van tien jaar, mocht ik direct aansluiten in groep 8. Al snel merkte ik dat mijn Nederlands nogal ouderwets was en dat ik nog niet zo’n grote woordenschat had (dat is overigens lang zo gebleven, maar daar vertel ik in een andere blog meer over). Mijn vader zorgde ervoor dat ik een pasje kreeg voor de bibliotheek, waardoor er een wereld voor mij openging. Vanaf dat moment verslond ik boeken. Mijn Nederlands verbeterde daardoor ontzettend snel, en dankzij het lezen ontdekte ik nieuwe werelden en ervaringen waarover ik alleen maar kon dromen.

    Destijds woonde ik in de Schilderswijk en volgens mij hadden we het niet heel breed. Niet dat ik dat toen echt besefte; ik kreeg namelijk in Nederland sowieso meer en gevarieerder voedsel dan ik ooit in Suriname had gekend. Daarbij: als je uit de Schilderswijk komt en naar school gaat in Bouwlust/Vrederust, kom je vanzelf niet in de mooiere wijken van Den Haag. Lange tijd wist ik dus niet beter, dan dat ik omringd was met mensen met een migratieachtergrond. Mensen zoals ik.

    Boeken boden mij toegang tot een wereld waarin ik kon verdwijnen. En dat had ik ook nodig, want de echte wereld waarin ik leefde was niet prettig. Dus vluchtte ik regelmatig naar mijn fantasiewereld.

    September 1994, brugklas MAVO, Thomas More College, ik was 11 jaar. Wat een wereld van verschil met mijn basisschool, waar van de 25 kinderen er slechts 9 een migratieachtergrond hadden. Hier zat ik in een klas van 28 leerlingen, waarvan 22 met een migratieachtergrond, met meester Schuemie als docent. Naast dat ik de boeken op de boekenlijst verslond, las ik ook veel boeken daarbuiten. Die leende ik allemaal bij de bibliotheek, waar ik regelmatig een boete kreeg omdat ik altijd het maximale aantal boeken meenam en ze vervolgens veel te laat terugbracht. Mijn miezerige zakgeld ging daar meestal aan op.

    Elk vrij moment zat ik ergens stil in een hoek met een boek. Op school zat ik vaak op de verwarming, heerlijk in mijn eigen wereld verzonken terwijl de drukte van de middelbare school aan mij voorbijging. Ik was een stil meisje, op mezelf en meestal alleen. Het was prima zo, mijn boeken waren voldoende gezelschap. Al snel werd ik klassenboekhoudster en haalde ik prachtige cijfers. De brugklas ging mij makkelijk af.

    Die boekwurm in mij, is nooit verdwenen. Boeken bleven mijn opening naar werelden waar ik alleen maar van kon dromen, een manier om even aan mijn eigen leven te ontsnappen. Mijn leven was lange tijd vrij klein. Dat was niet zomaar ontstaan.

    1994 – 1999
    Mijn vader hield mijn wereld klein. Dat gebeurde niet meteen extreem, maar langzaamaan werd mijn wereld steeds kleiner door vele regels waar ik me strikt aan moest houden. Elke overtreding werd bestraft met pakslaag en straf.

    • Elke dag werd ik gecontroleerd op wat ik aanhad, wat er in mijn schooltas zat, hoe ik douchte en zelfs hoeveel wc-papier ik gebruikte.
    • Tv-kijken mocht alleen met toestemming en dan ook nog enkel het journaal.
    • Bellen met de huistelefoon mocht ik niet zonder toestemming. Als ik dat stiekem toch een keer deed, werd dat ontdekt op de telefoonrekening. Ik moest mij vervolgens verantwoorden en kreeg weer pakslaag en straf.
    • Na school moest ik meteen naar huis; spelen bij vriendinnetjes of gezellig met vrienden hangen zat er niet in. Daardoor maakte ik amper vrienden.
    • Thuis deed ik het huishouden: koken, schoonmaken, boodschappen doen.
    • Als ik thuiskwam van boodschappen doen, moest ik altijd een bon laten zien. Was ik die vergeten of klopte het bedrag niet precies, volgde weer een pakslaag en straf.
    • Brieven of telefoontjes van familie uit Suriname, vriendinnen of familie in Nederland ontving ik zelden. Later ontdekte ik dat ze er wel degelijk waren geweest.

    Mijn wereld was daardoor klein en beperkt: school, thuis, mijn vader.

    Regelmatig vergat ik mijn enorme leren schooltas in de tram, omdat ik tijdens de dag veel dissocieerde en dagdroomde. Als dat gebeurde bekroop mij onmiddellijk angst om zonder tas naar huis te moeten gaan. Want ik wist precies wat me dan te wachten stond: een gesprek over hoe dom, vergeetachtig en slordig ik was, dat ik geen mooie spullen verdiende, dat ik zonder mijn vader niets kon. Daarna volgde pakslaag en straf.

    Panisch probeerde ik vanuit school de gevonden voorwerpen van de HTM te bellen. Maar in die tijd werden gevonden voorwerpen pas aan het einde van de dienst naar de remise gebracht. Daardoor kon je spullen meestal pas de volgende dag ophalen. Hoe ik het ook wendde of keerde, ik moest uiteindelijk zonder tas naar huis.

    Achteraf gezien was het interessant, misschien zelfs slim, hoe mijn vader mijn wereld stukje bij beetje kleiner maakte, totdat ik mijn leven uiteindelijk accepteerde zoals het was. Ik was mak en gebroken geworden, en waar ik me in het begin vurig verzette, dacht ik later niet eens meer aan vertrekken. Hij had me precies waar hij me wilde hebben: volgzaam, eenzaam en volledig afhankelijk van hem.

    Mijn vader sloeg mij zelden in mijn gezicht en ook niet op plekken die duidelijk zichtbaar waren. Zijn favoriete voorwerp was zijn riem. Hij liet mij dan naakt voor zich staan terwijl hij mij onderwierp aan een kruisverhoor. Elk antwoord dat hem niet beviel, werd bestraft met een klap van zijn riem. In het begin huilde ik, maar dat leerde ik snel af, want hoe harder ik huilde, hoe harder hij sloeg. Uiteindelijk onderging ik het stilletjes.

    De pijn van de riem was echter niet het ergste; het was de vernedering. Dat was waar het hem om ging: de psychologische en mentale schade. Gehoorzaam zijn, volgzaam zijn, doen wat hij zei, ja-knikken, niet zelf nadenken. Langzaam verdween ik. Ik was er niet meer, ik had geen identiteit meer. Wie was ik nog? Leegte…

    ’s Avonds, in mijn bed, schreef ik in mijn dagboek hoe ik me écht voelde. Blijkbaar kon ik dat ergens nog wel: voelen. Mijn dagboek was de enige plek waar ik mezelf kon zijn – of in ieder geval, dat probeerde ik. Na het 20:00 nieuws moest ik meteen naar bed, dus ik had alle tijd om te lezen. En dat deed ik dan ook gretig.

    Als volwassene is mijn liefde voor lezen altijd gebleven. Ik ontdekte daarnaast dat ik erg leergierig was en graag leerde door te lezen en het vervolgens meteen in de praktijk toe te passen. Later stapte ik over op boeken die mij hielpen in mijn reis naar heling.

    Als jongvolwassene had ik, tijdens jaren van therapie, vier diagnoses gekregen. De eerste was Borderline persoonlijkheidsstoornis – een label waar ik mij hevig tegen heb verzet. Mede omdat ik mezelf nooit fysiek had verwond en omdat de term “borderline” in het dagelijks leven vaak als scheldwoord werd gebruikt. NEE, dat was ik niet.

    Later kwam de diagnose hechtingsstoornis. Daar herkende ik mezelf enigszins in, maar op dat moment was ik nog niet klaar voor therapie en nam ik die diagnose niet serieus. Het advies om vrijwillige opname te doen in een open instelling, wees ik dan ook af. Lang heb ik daar spijt van gehad. Was ik wellicht eerder beter geweest als ik toen intensief in behandeling was gegaan?

    Pas veel later, na een jaar therapie bij een particuliere psycholoog voor mijn angsten, nachtmerries en herbelevingen, hoorde ik voor het eerst over complexe posttraumatische stressstoornis (C-PTSS). Volgens mij is deze diagnose overigens nog steeds niet opgenomen in de DSM-5. Maar toen ik erover las, vielen er een heleboel puzzelstukjes op hun plek. Ik denk dat ik toen pas echt bereid was om in te zien dat ik gebroken was, dat ik hulp nodig had en dat ik me moest overgeven aan therapie. Want therapie werkt alleen als je de intrinsieke motivatie hebt om het toe te laten. Ik was 27.

    Wat is complex trauma?

    Complex trauma verwijst naar langdurige en herhaalde traumatische ervaringen, meestal van interpersoonlijke aard, die plaatsvinden in de vroege stadia van de ontwikkeling. Het onderscheidt zich van enkelvoudig trauma – een eenmalige gebeurtenis – door de chronische aard ervan en het feit dat het vaak voorkomt binnen de context van nauwe relaties, zoals langdurig huiselijk geweld, emotioneel misbruik of verwaarlozing.

    Op de een of andere vreemde manier wist ik mijzelf altijd te omringen met “normale” mensen. Toch voelde ik me vaak alleen met mijn verleden. Ik sprak er nauwelijks over en heb jarenlang een masker gedragen, mijzelf voorgedaan als iemand anders. Ik was inmiddels een expert geworden in aanpassen, me voegen naar mijn omgeving en de mensen om mij heen. Dus ik was vrolijk, welbespraakt, extravert en levendig. Ik heb lang de bijnaam Fris en fruitige Kate gehad, in extreem euforische staat (wat een giller!). Maar diep van binnen bleef ik zoeken naar antwoorden en wist ik eigenlijk niet wie ik was.

    Naast de jarenlange intensieve therapie, heb ik ook veel boeken gelezen om mezelf beter te begrijpen en te achterhalen wat er precies met mij aan de hand was. Hier een lijst van boeken die mij enorm geholpen hebben:

    1. Vroeger en verder – stabilisatiecursus na misbruik of mishandeling (Dorrepaal, Thomaes & Draijer).
    2. Tiger Tiger: A memoir – over seksueel misbruik en het Stockholm-syndroom (Margaux Fragoso).
    3. Complexe PTSD: From Surviving to Thriving (Pete Walker).
    4. Het Seksboek – alles over lichaam, liefde en seks (Goedele Liekens).
    5. Behandeling van problematische gehechtheid (Anniek Thoomes-Vreugdenhil).
    6. Omarm je emoties – vrij van angst voor je gevoelens (Ronald J. Frederick).
    7. Patronen doorbreken – negatieve gevoelens en gewoonten herkennen en veranderen (Hannie van Genderen, Gitta Jacob & Laura Seebauer).
    8. De fontein: Vind je plek (Els van Stijn) – Aan de hand van de fontein als metafoor voor je familiesysteem krijg je praktische handvatten om hardnekkige patronen in je gedrag te doorbreken. Je krijgt meer rust en grip op je leven.

    Ik hou nog steeds van lezen. Tegenwoordig vooral voor mijn plezier en om te leren binnen mijn studie. Mijn leergierigheid is nooit verdwenen en ik geloof in het concept van levenslang leren. Maar ik lees niet meer om te verdwijnen, te dissociëren of te dromen. Die tijd ligt ver achter me. Ik heb inmiddels al een dikke tien jaar een gezonde relatie met boeken – en daarbij ook een nieuwe passie ontdekt: schrijven.

  • Tijdens een lichaamstherapie sessie brak ik oncontroleerbaar in huilen uit.

    Tijdens een lichaamstherapie sessie brak ik oncontroleerbaar in huilen uit.

    De laatste keer dat dit mij gebeurde was jaren geleden. Volgens mij was ik zelfs nog een kind.

    Ik voelde in eerste instantie meteen het gevoel van schaamte en probeerde mijzelf groot te houden omdat huilen niet mag. Dat is een teken van zwakte en je zwakte kan je nooit laten zien.

    Maar gelukkig maakte die gedachte plaats voor een gevoel van ontlading. Alsof ik deze huilbui, deze energie en emoties al zóóó lang had opgekropt.

    En nu… nu was ik er vrij van.

    Maar allereerst, wat is lichaamstherapie?

    Het richt zich op de verbinding tussen lichaam en geest en helpt om spanning, stress en trauma los te laten. Het uitgangspunt is dat emoties en ervaringen zich niet alleen in ons hoofd, maar ook in ons lichaam opslaan.

    Door middel van beweging, ademhaling en lichaamsbewuste oefeningen helpt deze therapie om beter contact te maken met fysieke signalen en gevoelens. Dit draagt bij aan het verwerken van trauma, het verminderen van lichamelijke klachten en het verbeteren van emotionele balans.

    Voor mensen met complexe PTSS en hechtings-uitdagingen, zoals ik, is lichaamstherapie een mooie aanvulling op reguliere therapie met een psycholoog. Omdat het direct werkt met wat het lichaam heeft opgeslagen en helpt om vastzittende spanning te ontladen.

    Ik gebruik lichaamstherapie voor het verwerken van trauma en stress:

    1. Om meer bewustwording te creëren van lichaamssignalen en er op een gezonde manier mee om te gaan.

    Vroeger had ik niet eens door dat er een signaal was, laat staan wat het betekende. Als ik het door had, dan negeerde ik het gewoon en ging vrolijk verder.

    Het interessante was dan ook dat ik dit lange tijd makkelijk heb kunnen doen. Misschien kwam het omdat ik jong was en je lijf dan meer aan kan. Ik weet het niet. Maar het lichaam zegt op den duur gewoon stop en dat resulteerde in een burn-out in 2016. Maar dat is een blog voor een andere keer.

    2. Om mijn emoties beter te voelen en te uiten, zonder overweldigd te raken.

    Ik heb lange delen van mijn jeugd geleerd dat emoties uiten niet gewaardeerd wordt en bestraft wordt. Dat deden mijn verschillende verzorgers door schreeuwen, slaan en negeren. Ik heb daardoor geleerd dat emoties tonen niet kan, een zwakte is en ten allen tijden ontweken moet worden.

    Maar ja, die emoties zijn er toch. En ze komen naar de boven, of je het wilt of niet.

    Dus heb ik al vroeg geleerd om te dissociëren. Het werd uiteindelijk zo erg dat ik emoties niet meer herkende en dat ze te pas en te onpas naar boven kwamen met destructieve gevolgen.

    Mijn emoties overkwamen me en ik wist geen raad met ze. Ik wist niet wat ze betekenden, hoe ik ze moest uiten en wat ik ermee aan moest.

    En dit is bij kinderen natuurlijk heel normaal gedrag en als ouder of verzorger leer je ze die te reguleren. Maar wat als je 16 bent… en 18… en 25 (als je volgens de wetenschap een volgroeid brein zou moeten hebben) en 33 jaar?

    Dan is het ineens niet meer zo vanzelfsprekend voor je omgeving.

    Sterker nog, je wordt beoordeeld op het gedrag dat je vertoont. Die volgens de maatschappij niet hoort. Je wordt buitengesloten en er wordt afstand van je genomen.

    En daardoor verdwijn je als volwassene nog meer in die hopeloosheid waar je zelf niets van snapt.

    3. Om het verbeteren van vertrouwen in zelf en anderen, nee eigenlijk de waarde van zelf. En om grenzen te stellen.

    Het helpt om steviger in mijn lichaam te staan en in mijn kracht. Dat helpt dan ook weer om mijn grenzen op een verbindende manier aan te geven, waardoor dan ook weer het vertrouwen in zelf en in de ander vergroot wordt.

    Een mooie cirkel van harmonie. Ondanks dat ze alle drie heel belangrijk voor mij zijn, is nummer drie specifiek de meest waardevolle en het zwaarst geweest om te leren. Ook daar kan ik een aparte blog aan wijden.

    Focus Kate! Dus nu eerst terug naar de sessie.

    Ik kwam binnen met de observatie:

    “Ik merk dat ik mijn eigen vijand ben. Cognitief weet ik dat ik sommige dingen niet moet doen, zoals slecht praten over mijzelf, en toch doe ik het! Why? Ik ben er zo kwaad over dat ik mijzelf dit aandoe! Ik wil daarmee ophouden. Ik wil van mijzelf houden en mijzelf met respect behandelen.”

    De therapeut stelde voor om terug te gaan naar een moment in mijn leven waarin ik mij net zo had gevoeld.

    Ik deed mijn ogen dicht, ging in kleermakerszit op de grond zitten en koos voor een moment waarin mijn biologische moeder had gezegd dat ze mij van school af zou halen en dat we dan iets leuks zouden doen.

    Ik was denk ik tussen 7 en 9 jaar, basisschool, en woonde nog in Suriname.

    De schoolbel ging en ik rende het schoolplein op… geen moeder. Ik haalde mijn schouders op en ging spelen.

    Het schoolplein werd steeds leger totdat de juf naar buiten kwam en zei dat ze naar huis moest en de poort van het schoolplein dichtdeed. Ik haalde weer mijn schouders op en besloot naar mijn biologische moeders huis te lopen.

    Als klein kind, midden op de dag in de hete zon op de weg (er zijn geen trottoirs), lange stukken lopen, is niet het meest verstandigst en al helemaal niet voor een klein kind van basisschoolleeftijd. En toch deed ik het.

    Uiteindelijk kwam ik bij mijn biologische moeders huis aan, liep het erf op, trok aan de deur… op slot. Ik hoorde mensen binnen en begon te roepen: “Mama, mama, mamaaaaaaa…”

    Niets. Nog steeds, geen paniek…

    De therapeut zei:

    “Ok, we gaan terug naar het nu. Kijk naar de kleine Kate. Wat wil je doen? Nu….Jij als volwassenen met al je kennis en kracht?”

    Ik kreeg meteen buikpijn. Want een gevoel van onmacht overviel mij en ik voelde mij ontzettend klein worden.

    De gedachten die ik had waren: “Wat heb ik die kleine Kate nou te bieden? Ik ben geen haar beter dan dat zij is? Hoe moet ik haar in hemelsnaam troosten?”

    Instant buikpijn en sterk de drang om dan maar weg te rennen en die kleine Kate alleen te laten. Met mijn ogen nog steeds dicht, sprak ik dit uit naar de therapeut. Ik was in paniek.

    De therapeut sprak mij bemoedigend toe:

    “Dat geeft niet. Wees jezelf, doe wat je kan. Wat zou je nu wel voor kleine Kate kunnen doen, ondanks dat je je zo voelt?”

    Dus ging ik naast kleine Kate zitten en zei niets. Mijn handen lagen in mijn schoot, nerveus heen en weer wrijvend.

    Ik keek naar kleine Kate en zag dat ze ook stil naast mij zat, in zichzelf gekeerd, geen emotie, niets. Ze keek mij niet aan.

    Hoe bizar?

    Als ik haar vergelijk met het gedrag van mijn zoontje. Hoe hij naar mij kijkt, hulp zoekt, steun zoekt, huilt als hij verdriet heeft, lacht als hij blij is, en zijn stem laat horen als hij boos is…

    Wat een wereld van verschil.

    En dat beeld, die vergelijking, brak mij nog meer. Wat is er met dit kind gebeurd op zo’n jonge leeftijd dat ze totaal niet het verwachte gedrag van een kind vertoont na wat er die dag met haar is gebeurd???

    Ik hervond mijn volwassen en krachtige Kate en probeerde niet in een oud patroon te vervallen, van doen wat ik denk dat mijn omgeving verwacht, maar handelen naar wat ik nu op dit moment kan.

    En dat was naast haar zitten, met mijn handen in mijn schoot en tegen haar zeggen:

    “Keetje, het doet mij pijn om te zien dat je alles alleen doet en geen hulp vraagt. Dat er geen emotie bij je loskomt terwijl er alleen maar nare en heftige dingen met je gebeurd zijn.”

    “Ik vind het heel verdrietig om te zien dat je dit maar ondergaat en het normaal vindt. Dat je niet bij de pakken neerzit en een oplossing zoekt. Een mooie kwaliteit voor als je volwassen bent straks, maar niet als je nog kind bent.”

    “Ik weet hoe je je voelt. Je bent niet alleen. Maar ik ben er voor je.”

    “Ik zou je zo graag willen knuffelen, maar ik weet zelf nog niet hoe ik dat moet doen, dat ben ik nog aan het leren. Als ik je nu zou knuffelen zou het heel ongemakkelijk voelen, voor ons beiden denk ik. Omdat we niet gewend zijn om aangeraakt en getroost te worden.”

    “Maar ik hoop op een dag dat ik het wel meer kan. Ik weet dat je het kan, want mijn zoontje en zijn papa, die kan ik wel heel veel knuffelen!”

    Dus daar zaten we, in stilte, naast elkaar. Langzaam schoof kleine Kate een beetje naar mij toe.

    En het was goed zo.

    Terug in het nu…

    De tranen stroomden over mijn wangen en ik hoorde mijzelf hevig snikken.

    Ik zette beide handen voor mijn gezicht om die te verbergen, ik ging met beide handen naar mijn slapen en begon ze te wrijven, hard…

    Want ik wilde dit intense verdriet niet voelen. Nééé.

    Ik wilde weer wegrennen, maar ik hield mijzelf op mijn plek, want ik wilde dit gevoel, deze golf van emotie en energie doorstaan, doorvoelen.

    Het moest. Dat is de enige manier dat ik meer mijzelf ga kunnen zijn.

    Dus ik bleef zitten, hard huilend, hete tranen over mijn wangen en liet die rauwe pijn er allemaal uitkomen.

    De therapeut zat stil tegenover mij en liet het maar komen.

    Na een tijdje kalmeerde ik en hervond ik mijzelf. Ik voelde mij intens opgelucht en vele malen lichter. Hernieuwde energie en kracht.

    Maar ook bedroefdheid.

    Want ik had altijd gedacht dat mijn trauma’s veroorzaakt waren nadat ik naar Nederland was verhuisd in 1994.

    Maar door deze oefening, heb ik nu voor het eerst gezien dat ik in Suriname al getraumatiseerd was.

    Dat voelde pijnlijk en maakte mij angstig. En dat moest ik onderzoeken…Maar wat ga ik vinden?

    En toch bekroop mij daarna nog een gevoel van boosheid.

    Kijkend naar kleine Kate, zag ik nog steeds hetzelfde gedrag dat ik als volwassene soms ook vertoonde.

    • Als er vervelende dingen met mij gebeurden, inmiddels gelukkig niet zo traumatisch meer, dan liet ik het maar gebeuren. Ik zei niets, deed er niets mee en zocht de “schuld” bij mijzelf.

    Alleen nu was ik volwassen en wist ik beter, dus dat ging borrelen in mij en kwam er niet goed uit, wat weer zorgde voor conflict in mijn leven.

    Een self-fulfilling prophecy. En hoe triest dat ik nog steeds zo min over mijzelf dacht, dat ik het maar met mij liet gebeuren…

    • En als die vervelende dingen dan gebeurden, dan huilde ik niet, ik toonde geen emotie. Hoe vaak ik wel niet van mijn omgeving hoorde dat ze“niets aan mij gemerkt hadden.”

    Ik zocht geen troost. Nee, ik stapte over die emotie en zelfzorg heen en ging pragmatisch op zoek naar een oplossing. Schouders eronder en gaan.

    Dat lukte meestal ook, maar of dat gezond was? Nee…

    • En getroost worden en troost geven aan een ander.

    Ik wil dat wel. Ik ben er nieuwsgierig naar. Als ik het anderen zie doen, dan merk ik dat het een blij en geïnteresseerd gevoel bij mij losmaakt.

    MAAR HOE DOE JE DAT IN VREDESNAAM?

    Als er iemand anders fysiek dicht bij mij komt, dan mijn zoontje of partner, dan verstar ik. Het gevoel is onbekend en ik weet eigenlijk nog niet zo goed wat ik ervan vind.

    Maar ik wil het weten. Dus ben ik steeds meer begonnen met mensen fysiek dichter bij me te brengen.

    Mijn schoonfamilie geef ik nu een knuffel als ik ze zie, in plaats van drie kusjes. Ik doe dit ook steeds meer bij vrienden.

    Ik sta er dan elke keer bij stil: hoe voelt dit? Wat vind ik ervan?

    Ik heb de uitkomst van de lichaamstherapie natuurlijk meegenomen naar de wekelijkse 1-op-1 sessies met de psycholoog.

    Maar ook dat is weer, voor een andere blog.

  • Ongelijkheid, deel 2

    Ongelijkheid, deel 2

    Terugblik op een blog uit 2020

    Soms kom je oude stukken tegen die je herinneren aan hoe je destijds dacht en voelde. Dit stuk schreef ik op 6 juni 2020, en ik heb ervoor gekozen om het ongewijzigd te laten en aan te vullen als onderdeel van een tweeluik.

    De aantrekkingskracht van traditionele rollen

    Eind twintig merkte ik dat ik steeds meer een girly girl werd. Ik hield van jaren 50-jurkjes, waardeerde hoffelijkheid en vond de ouderwetse rolverdeling tussen man en vrouw een aantrekkelijke dynamiek. Daarnaast begon ik me steeds meer bewust te worden van de invloed die ik als vrouw kon uitoefenen.

    Het viel me op dat mannen in mijn omgeving een zwak hadden voor mijn exotische looks in combinatie met mijn enthousiaste persoonlijkheid en mijn dienstbare houding, iets wat geworteld was in mijn Javaanse opvoeding. Op dat moment besloot ik om gebruik te maken van wat zo duidelijk naar voren kwam en me te voegen naar de verwachtingen van vrouwen.

    Het maakte dingen simpel. Ik wist wat er van mij werd verwacht als vrouw en dat gaf een bepaalde veiligheid; een label waar ik me aan kon vasthouden. Het was dan ook niet zo gek dat ik voor een carrière als secretaresse koos en lange tijd voor mannelijke managers werkte. Het was eenvoudig: er werd niet veel van me verwacht, behalve doen wat er gevraagd werd, glimlachen en er goed uitzien. Daar kon ik toen mee leven.

    “You should smile a bit more and try to be nicer”

    Naarmate mijn carrière vorderde en ik steeds vaker in aanraking kwam met grotere organisaties, begon ik de verschillen tussen mannen en vrouwen op de werkvloer op te merken. Maar intern begon er ook iets te knagen.

    Ik had inmiddels een fantastische baan als Personal Assistant van een CEO en leefde een mooi leven in Amsterdam. Doordat de organisatie klein was, kon ik naast mijn werk als Personal Assistant ook personeelszaken oppakken. Hier ontstond mijn interesse in HRM – iets waar ik in een ander blog nog meer over zal vertellen.

    Het was 2016. Hoewel termen als sociale veiligheid en grensoverschrijdend gedrag toen nog geen bekende begrippen waren, kwamen er steeds meer gesprekken op gang over gender en ongelijkheid. Dit werd versterkt door de diversiteit binnen de organisatie. Feministische geluiden werden vaker onderwerp van gesprek, maar eerlijk gezegd schoten ze bij mij destijds nog in het verkeerde keelgat. Ik wist niet goed hoe ik me ertoe moest verhouden.

    Totdat ik later in mijn carrière, inmiddels de 30 gepasseerd, voor een manager werkte die tegen me zei: “You should smile a bit more and try to be nicer.”

    Aardiger? Zou hij dat ook tegen me hebben gezegd als ik een man was geweest? Waarom werd er van mij verwacht dat ik vaker zou glimlachen en vriendelijker zou zijn? Maar wacht eens even, was dit niet precies het beeld dat ik zelf had omarmd in mijn twintiger jaren? Was ik daarin veranderd? Had ik een andere mening gevormd? Hoe was dat dan gebeurd?

    Helaas probeerde ik me destijds nog aan te passen. Mede ook omdat ik de overstap maakte van het secretariële vak naar HRM. Zonder diploma’s was ik afhankelijk van de (mannelijke) managers die me hielpen om het vakgebied binnen te rollen. Dus vaker glimlachen en aardiger doen leek een noodzakelijke strategie. Maar wat een shitshow was dat zeg.

    Het zijn niet alleen mannen die deze verwachtingen van vrouwen hebben, vrouwen kunnen deze verwachtingen net zo goed op elkaar projecteren. Als je niet glimlacht of niet ‘aardig’ bent, dan ben je een bitch, asociaal, geen leuke collega. Maar waarom? Waarom kon mijn werk niet op zichzelf staan? Ik wilde beoordeeld worden op mijn kwaliteiten als een goede Personal Assistant of HR Officer, niet op hoe vaak ik glimlach of hoe aardig ik ben. Fucked up, hè?

    En nu?

    Toen ik dit in 2020 schreef, was ik gefrustreerd en jong. Nu, jaren later, vraag ik me af: hoe ver zijn we eigenlijk gekomen? Ik denk dat er stappen zijn gezet op het gebied van gendergelijkheid en de verwachtingen rondom vrouwen in de maatschappij. Maar er is nog steeds een lange weg te gaan.

    Mijn focus als HR-professional ligt nu breder dan genderongelijkheid alleen. Ik richt me op ongelijkheid in het algemeen. Denk aan het creëren van inclusieve teams en bedrijfsculturen: een uitdaging, want in de praktijk overheersen vaak de normen en waarden van de meerderheid, waardoor mensen die ‘anders’ zijn buiten de boot kunnen vallen.

    Als leidinggevende moet je scherp blijven en continu werken aan een cultuur van sociale veiligheid. Dit betekent dat je omgangsregels afspreekt, toetst en bewaakt, zodat diversiteit, inclusie en gelijkwaardigheid niet slechts woorden blijven, maar daadwerkelijk worden nageleefd.

    Makkelijker gezegd dan gedaan… ga er maar aan staan.

  • Ongelijkheid, deel 1

    Ongelijkheid, deel 1

    Een schrijven uit 2020

    Soms kom je oude stukken tegen die je herinneren aan hoe je destijds dacht en voelde. Dit stuk schreef ik op 6 juni 2020 en ik heb ervoor gekozen om het ongewijzigd te laten en er een tweeluik van te maken. Anno nu zou ik sommige dingen anders formuleren, maar dit is een momentopname van mijn gedachten en ervaringen destijds.

    Genderrollen

    Gisteravond keek ik naar de herhaling van de documentaire Sign of the Times: Ongelijkheid op de NPO. Het ging voornamelijk over gender en hoe dat zich verhoudt tot cultuur en religie. De spreker die mij het meest aansprak, was Chimamanda Ngozi Adichie. Eerlijk gezegd had ik nog nooit van haar gehoord, totdat een stukje van haar feministische speech werd gebruikt in Beyoncé’s nummer Flawless. (Heerlijk nummer en ik ga er nog steeds lekker op, vooral de versie met Nicki Minaj.) Dat wekte mijn interesse en ik begon me wat meer in genderongelijkheid te verdiepen.

    Als het gaat om feminisme, merk ik dat mijn gevoelens en meningen daarover door de jaren heen veranderen en zich vormen. Ik ben geboren in Paramaribo, Suriname en opgegroeid in verschillende huishoudens, grotendeels bij mijn eigen grote familie met Javaans-Surinaamse invloeden. Een deel van mijn familie is moslim, een ander deel katholiek en weer een ander deel atheïst. Maar wat me vooral is bijgebleven uit mijn jeugd, is dat ik in een bepaalde rol moest passen, puur omdat ik een meisje was.

    Van jongs af aan verzette ik me daartegen. Ik wilde niet met Barbiepoppen spelen. Ik wilde bruggen bouwen en racen met auto’s. Ik was aan het ravotten met mijn buurjongen, klom in bomen en was vaak op het bouwterrein naast ons huis te vinden. Daar speelden we met de buurtkinderen regelmatig verstoppertje en klommen we op de onafgemaakte, veelal gevaarlijke, stellingen. Ik was een wild child, een echte tomboy (ik heb de littekens om het te bewijzen) en ik kreeg vaak op mijn kop, want ‘zo hoort een meisje zich niet te gedragen’.

    Op een dag, ik was een jaar of 7 of 8, kwam ik thuis van school en knipte uit boosheid eigenhandig mijn lange krullen af. Ik kan me niet meer precies herinneren wat mij ertoe had gezet. Mijn pleegmoeder was woedend. Maar voor mij voelde het als een daad van verzet, een manier om zelf te bepalen wie ik was en hoe ik eruitzag.

    Emigreren: nieuwe kansen, nieuwe verwachtingen

    Rond mijn 10e verhuisde ik naar Nederland en het voelde bevrijdend om hier andere kansen te hebben. Kansen die ik in Suriname niet had, binnen de Javaanse cultuur en kleine gemeenschap. En ik moet zeggen: ondanks dat mijn achternaam (toentertijd Gopal) nog Indiaas was, terwijl ik een mix ben van Javaanse en Negroïde afkomst, heb ik me in Nederland nooit openlijk gediscrimineerd gevoeld.

    Of misschien heb ik het niet gemerkt. Misschien gaf ik er gewoon niets om als iemand mij anders behandelde vanwege mijn afkomst. Ik wist wat ik wilde bereiken en weigerde om een slachtoffer te zijn vanwege mijn huidskleur, mijn accent, mijn geslacht, mijn opleiding, mijn afkomst of mijn seksuele voorkeur.

    Ik besefte toen ook wel dat zo’n houding niet de makkelijkste zou zijn. En dat was het ook zeker niet. Maar ik heb keihard gewerkt om de persoon te zijn die ik nu ben. Ik ben ontzettend trots op mezelf en op alle obstakels die ik heb overwonnen. Mijn strijd tegen genderrollen begon al op jonge leeftijd, maar pas later besefte ik hoeveel die vroege ervaringen me hebben gevormd. Het verzetten tegen verwachtingen heeft me niet alleen sterker gemaakt, maar ook geleerd dat groei niet zonder fouten komt.

    Toch veranderde mijn kijk op genderrollen in de jaren daarna. Waar ik me eerst verzette, begon ik later juist de aantrekkingskracht van traditionele rollen te voelen. Hoe dat gebeurde? In deel 2 daarover meer.

  • Even voorstellen

    Even voorstellen

    Hoi, mijn naam is Kate. Ik ben op dit moment (01-01-2025) 41 jaar, moeder van een bonuszoon van 11 en een zoontje van 3. Samen met mijn partner woon ik in het mooie Den Haag.

    Welkom op mijn blog!

    Ik ben een HR-professional met een passie voor persoonlijke groei en werkbalans. In mijn blogs deel ik mijn ervaringen en praktische tips. Ik hoop hierdoor een blijk van herkenning te geven en mogelijke oplossingen te bieden voor de uitdagingen die we allemaal tegenkomen in het leven. Heb je een vraag of idee? Laat het me weten! Abonneer je vooral, zodat je niets hoeft te missen.

    Waarom schrijf ik?

    Al zolang ik mij kan herinneren, schrijf ik. Mijn dagboeken staan vol met korte verhalen. In mijn studententijd heb ik wat artikelen geschreven voor Lantaarn/Venster in Rotterdam. Ik maakte ook vaak foto’s tijdens mijn vele stapavonden en schreef daarbij reviews voor Dancegids. In 2005 begon ik aan de opleiding Journalistiek bij Inholland Rotterdam, maar een opmerking van een docent (dat mijn schrijfstijl ‘te veel straattaal’ bevatte) bracht me aan het twijfelen. Ik schrijf zoals ik spreek, zonder veel rekening te houden met technieken. Hoewel die opmerking niet de enige reden was, stopte ik kort daarna met de opleiding. Er speelde op dat moment te veel in mijn leven. Ik kom daar later in mijn blogs nog een keer op terug.

    Maar mijn liefde voor schrijven en lezen is echter nooit verdwenen.

    Nu, jaren later, wil ik die passie nieuw leven inblazen. Waarom? Omdat ik schrijven leuk vind en omdat ik hoop anderen te helpen door mijn ervaringen te delen. Misschien herkent iemand zich in mijn verhalen. Als ik maar één persoon kan helpen, is mijn doel geslaagd.

    Waar sta ik voor?

    Als mens en als HR-professional leef ik volgens een paar kernwaarden. Die geven mij houvast en zorgen ervoor dat, als ik het even niet meer weet, ik altijd kan terugvallen op deze basis:

    • Ik ben oké, jij bent oké.
    • Verbinding met anderen is mijn meest waardevolle goed.
    • Rechtvaardigheid en kwetsbaarheid zijn mijn kracht.
    • Ik wil overall gewoon een goed mens zijn, zowel privé als op het werk.

    Deze waarden vormen de basis van alles wat ik doe en deel.

    Jouw betrokkenheid maakt het compleet

    Mijn blog groeit met mij mee. Ik geloof in een lerende en open houding: proberen, reflecteren, aanpassen en doorgaan. De basis blijft echter hetzelfde: wekelijks op vrijdagochtend een blog over een onderwerp dat relevant is voor werk en leven.

    Interactie is daarbij van harte welkom! Deel je eigen ervaringen of stel vragen in de reacties. Vind je mijn blog leuk? Meld je aan voor de nieuwsbrief, zodat je niets hoeft te missen. Of stuur het door naar vrienden en familie die dit interessant vinden. Sharing is caring!