Tag: PersoonlijkLeiderschap

  • De zorg… zo complex en gelaagd – maatwerk is nodig, maar daar is (nog) geen verdienmodel voor

    Long-read – 20 minuten

    Deze blog is ontstaan na het lezen van een LinkedIn bericht van straatarts Michelle van Tongerloo over een casus van een meisje dat zichtbaar hulp nodig had, maar overal “nee” te horen kreeg. De frustratie die daarop volgde, herken ik.

    Ik hoor en zie wat er gebeurt. Ik ben zelf ook onderdeel geweest van Jeugdzorg en het systeem. Daarnaast zie ik ook: dit soort problematiek is complex en duur. Heeft de samenleving dat geld wel om te betalen? Om maatwerk te leveren? Om echt te luisteren en echt te helpen? Hebben we als mens wel dat geduld? Hoe weten we of iemand de (duur) geboden hulp wel gaat aanpakken en afmaken?

    Want ja, zeg nou zelf: dat meisje had al een keer hulp niet afgemaakt. Kunnen we haar dat kwalijk nemen? Hoe vaak geven we iemand hulp? Wanneer is het een hopeloos geval? Ik vind dit echt ontzettend lastig om te beoordelen en er zwart-wit iets van te vinden. Dat kan ook bijna niet, omdat er maatwerk nodig is. Maar kunnen we dat wel geven?

    Ik ben dan misschien niet verslaafd geweest, maar ik had enorm veel schulden toen het niet goed met mij ging. Daarnaast wilde ik geen hulp, omdat ik als adolescent er echt in geloofde dat het aan de wereld lag en niet aan mij. Dus ik had zeker geen hulp nodig! Ik heb ook lang de hulp die geboden werd niet geaccepteerd. Ook ik kwam niet op afspraken, zei nee tegen een opname en beschermd wonen…

    Dus tja, wat kunnen hulpverleners en het systeem dan nog meer doen?

    Maar het gaat nu toch goed met je, Kate? Dus die omslag is er gekomen, toch?

    Wat maakte dat ik wél hulp ging accepteren? Toen ik met 80.000 euro schuld rock bottom bereikte. Geen vrienden had. Geen familie. Geen vast woonadres. Geen baan kon behouden omdat ik continu in een overlevingsstand zat. Dat gold ook voor het afmaken van een studie. Ik ging van de ene slechte partner naar de andere. Ik had alleen mensen om mij heen die misbruik maakten van het feit dat ik graag ergens bij wilde horen. Ik gaf daar dan ook te veel geld aan uit, geld dat ik niet had.

    Maar uiteindelijk, toen het slecht met mij ging, waren die mensen nergens te bekennen. Maar ook dat moest ik eerst ervaren voordat ik ging inzien dat liefde kopen niet werkt. Ja, tijdelijk – tijdens een feestje en wat gezelligheid – maar dan is dat voorbij en ben je weer alleen. En voel je je nog slechter dan voor het feestje.

    Pas toen ik letterlijk in mijn eentje op de grond zat, in de totale shit, begon ik te beseffen… waar ben ik mee bezig?? Als ik wil dat er iets verandert, dan ben ík de enige die hier iets aan gaat doen. Want een ander gaat het niet voor mij doen. Ik had inmiddels die kansen ook al verpest. En daardoor was het cirkeltje dan ook weer rond: mensen zijn kut en niet te vertrouwen, ik gedraag me daarnaar, en inderdaad: mensen zijn kut en niet te vertrouwen… De self fulfilling prophecy.

    En ergens was er ook een stemmetje in mij dat zei: ik wil niet dat anderen zeggen: “Zie je, ze is niets waard, want kijk maar wat ze allemaal doet.”

    Maar dat heeft wel even geduurd hoor. Ik was pas 27 toen dit mij begon te dagen. Op mijn 30ste was ik schuldenvrij. Dat is niet zomaar gegaan: ik heb daar 3 jaar hard voor gewerkt en van 50 euro per week geleefd. Alles gedaan om zoveel mogelijk geld te verdienen om mijn schulden af te betalen.

    Schuldenvrij… en toen?

    Was alles toen weer goed?

    Nee. Want toen pas had ik ruimte in mijn hoofd en lijf om gericht hulp te gaan zoeken. Pas toen kon ik therapie blijven volgen: intensieve therapie. Ben ik gaan investeren in het ontdekken wie ik ben en waarom. Gaan investeren in duurzame relaties. Geprobeerd om een baan te behouden. Een studie af te maken. Een stabiele relatie gekregen. Een gezin gevormd. Een plek gevonden waar ik belonging voelde, waar ik mijzelf kon zijn. Een vast woonadres. Contact gezocht met mijn familie…

    Maar ik kan me voorstellen dat de instanties waar ik vóór mijn 27e bij belandde ook gedacht hebben: “Ik zie dat ze een eerdere behandeling bij ons niet heeft afgemaakt, dus ik denk niet dat het zinvol is.”

    En daarnaast, als je ook kijkt naar mijn problematiek, die was zó gelaagd en complex.

    Ik heb eerst 3 jaar schuldhulpverlening nodig gehad. Daarna meerdere vormen van intensieve therapie: schematherapie, EMDR, psychodynamische groepstherapie, RET, heel veel 1-op-1-gesprekken, lichaamstherapie, systeemtherapie, ACT en familieopstellingen. En daarnaast fulltime moeten blijven werken, want het leven gaat door en je moet het leven kunnen blijven betalen. En dan ook nog relaties aangaan én een studie proberen te volgen.

    De laatste drie waren mij tijdens die intensieve periode overigens niet gelukt. Want daar was toen nog geen ruimte voor. Ik wilde ook te veel en te snel en alles tegelijk. Ik was niet goed in rust inbouwen. Niet goed in focus houden. Niet mild naar mezelf. Ik gaf mezelf geen tijd.

    Eerst moest ik weten wie ik was

    Pas in 2017, toen de ergste pijn verholpen was en ik weer een reset had gehad door een burn-out eind 2016, ontstond er ruimte om te gaan werken aan mijn identiteit. Ik kwam er namelijk achter dat een baan houden, een studie afmaken en stabiele (werk)relaties behouden mij niet zouden lukken zolang ik eerst niet wist wie ik was. Waarom ik zo was en wie ik dan wilde zijn in verhouding tot de ander in een relatie. Waar ik voor stond. Waar ik in geloofde. Wat míj́n mening was.

    Dus echt: identiteit. Die was ik namelijk kwijtgeraakt. Door jarenlange verwaarlozing, seksueel misbruik, lichamelijk geweld, psychisch geweld, emotioneel geweld, manipulatie, gaslighting, onthechting… Ik was helemaal gestript van mijn eigen identiteit. Totdat ik een mak en volgzaam lammetje was geworden, die zelf niet kon nadenken, maar heel goed orders kon opvolgen en zich kon aanpassen.

    De toxische relatie die ik met mijn vader had, was ik één op één gaan voortzetten in mijn liefdesrelaties. Ik voelde mij prettig bij mannen die mij vertelden wat ik moest doen, waarom, en hoe ik moest denken en leven. Dat gaf mij troost, herkenbaarheid en comfort. Dit waren gelukkig geen mannen die zo extreem waren als mijn vader… maar op den duur, als iemand zoveel macht over je heeft (omdat je die willingly gegeven hebt), dan wordt het gebruik van die macht ook enigszins normaal. En ik trok ook dat soort mannen aan. Ironisch genoeg.

    Hoe ik dat patroon heb doorbroken, hoor ik je denken?

    December 2015. De zoveelste liefdesrelatie ging stuk. Alleen was het dit keer een lieve man die oprecht het beste met mij voorhad. Bam. Dat was voor mij ook weer een wake-up call. Ik wilde niet iemand zijn die een ander zo pijn deed. Anders was ik geen haar beter dan mijn vader. (Ja mensen… ik begon zelf namelijk ook een monster te worden.)

    En ik zag ook in dat ik de relatie zelf gesaboteerd had. En wellicht lijkt het nu alsof ík alleen dingen had gedaan om de relatie om zeep te helpen, maar in een relatie zijn er altijd twee. Ik bagatelliseer zijn aandeel echt niet, ik hoef er alleen hier niet verder op in te gaan.

    Ik heb toen bewust de keuze gemaakt om een tijd vrijgezel te blijven. Eens zien wie ik was zonder man. Of ik dat alleen kon.

    En toen ik na twee jaar eindelijk weer eens echt wilde daten, heb ik letterlijk een lijst gemaakt van kwaliteiten die ik in mijn volgende liefdesrelatie terug wilde zien en wat ik absoluut níet meer wilde. Die lijst heb ik erbij gehouden toen ik mij inschreef bij InnerCircle (daten voor hoogopgeleiden. Ja ja, ook dat was een bewuste keuze ;-).

    En na twee jaar, voor het eerst echt single in mijn leven, vond ik in 2018 de liefde van mijn leven. Met wie ik nu nog steeds ben. En een prachtig gezin mee heb.

    Van vriendschap tot werkrelatie — identiteit in relatie tot de ander

    De problemen die ik ervaarde in liefdesrelaties sijpelden net zo hard door in vriendschappen. Alleen manifesteerden ze zich daar net iets anders.

    In vriendschappen stelde ik mijzelf altijd lager dan de ander. Ik had namelijk niet door dat mijn zelfwaarde nul was. En ik was een pleaser en een gever. Dus die relaties waren per definitie ongelijkwaardig. En ook daar deed ik het zelf. En ook daar trok ik dan dat soort mensen aan.

    Naarmate ik steeds meer een eigen identiteit kreeg, mijn grenzen ging aangeven en ook beter doorhad wanneer ik over grenzen van anderen ging, verdwenen die mensen vanzelf. Die heb ik dus tegenwoordig gelukkig niet meer. En ik heb nu al enkele jaren een stabiele groep mensen om mij heen, sommigen al sinds 2006.

    Ik voel mij geliefd, ondanks dat ik relaties, mezelf zijn en de ander dichtbij laten nog steeds heel ingewikkeld vindt. Dat is nog steeds een thema waar ik aan werk. Dit doe ik met lichaamstherapie en recentelijk heb ik ook boksen opgepakt.

    Waarom boksen, hoor ik je denken?

    Bij boksen moet je uit je hoofd. Je lijf moet ontspannen zijn en pas kracht inzetten op het moment dat je vuist de ander raakt. Maar boksen gaat ook over techniek. Over in flow raken met jezelf én met de ander. Het is een soort dans waarbij je de ander ziet, maar ook volledig bewust bent van je eigen handelingen en reactie.

    En als cherry on the pie: ik leer mezelf verdedigen! Zodat er nooit meer iemand ongevraagd aan mijn lijf kan zitten.

    En werk?

    Werkrelaties waren overigens het meest ingewikkeld.

    Ik wist daarin geen houding aan te nemen. Of ik was te open — vertelde te veel — wat mensen raar vonden, of die informatie werd tegen mij gebruikt. Óf ik vertelde juist heel weinig, liet weinig van mijzelf zien en was een loner. Geen teamplayer.

    En in werkrelaties kwam er ook nog een extra laag bij: hiërarchie, machtsverhoudingen, belangen, ego, incompetentie (van leidinggevenden)… fucking ingewikkeld.

    En even serieus: ik snapte daar heel lang, helemaal niets van.

    Ik heb een hele lange tijd heel zwart-wit naar werkrelaties gekeken. Dit is ook de grootste reden geweest waarom ik om de twee jaar van baan wisselde. Die verdomde werkrelaties. En hoe complexer ze zijn dan privérelaties.

    Enfin, een on-the-jobcoach, mentor of senior collega die hiervoor begrip heeft en mij wil begeleiden hierin, is voor mij de oplossing geweest. Uiteindelijk. Maar die mensen op werkgebied zijn vrij schaars… dus dat blijft elke keer weer een uitdaging.

    Van hoofd naar hart

    In de zoektocht naar mijn identiteit moest ik ook leren voelen. Want ik was heel erg in mijn hoofd gaan zitten. Cognitief wist ik wat ik moest doen, want ik ben gelukkig best slim en kan goed leren en theorie tot mij nemen. Maar ook dat hielp op een gegeven moment niet meer.

    Want: wat voelde ik nou eigenlijk?

    Ik had geen woorden voor die emoties, omdat ik niet wist wat ze betekenden. Dus ik moest dat als 30-plusser pas gaan leren. Stilstaan. Mezelf afvragen: wat voel ik? Waarom voel ik dit?

    Leren dat gevoel te reguleren. Want hiervoor stopte ik het weg of ging ik er gewoon overheen alsof het niet bestond. Waardoor ik indirect mezelf zelden serieus nam en systematisch over mijn eigen grenzen heen ging. Of liet gaan.

    Op zich, gezien mijn verleden, niet zo raar natuurlijk.

    Ik had jarenlang geleerd dat emoties uiten ‘slecht’ was. Of er werd simpelweg niet naar mij geluisterd als ik boos, bang, bedroefd of blij was. En áls ik iets daarvan uitte, werd ik genegeerd of geslagen. Uiteindelijk hou je dan wel op met voelen. En met het aandacht geven aan wat er in je leeft.

    Dus ik moest opnieuw leren voelen. En daar dan weer woorden aan geven. Zelfzorg toepassen. En dat vervolgens uitspreken, naar de ander toe. Mijn grenzen aangeven. Zonder mezelf neer te halen of kleiner te maken. En ook zonder de ander pijn te doen of een conflict te veroorzaken.

    Want doordat ik mijn eigen grenzen niet kende of respecteerde, deed ik dat bij de ander ook niet. Niet omdat ik lekker gemeen wilde zijn, maar omdat ik simpelweg niet herkende wat een grens was. Tenzij iemand héél duidelijk werd, bijvoorbeeld door boos te worden.

    Maar helaas zeggen mensen niet zo snel wat ze denken. Al helemaal niet in zakelijke context. Meestal wordt er dan een oordeel over je gevormd en kiest men stilletjes een andere weg.

    Daardoor voelde ik mij vaak ineens weer in de steek gelaten. En had ik geen idee waarom dat (weer) gebeurde….

    En ondertussen…

    En dat allemaal terwijl je te maken krijgt met een wereld – en mensen om je heen – die dit maar raar gedrag vinden. Omdat ze verwachten dat een 30-plusser wel beter weet. Omdat er aan de buitenkant niets aan mij te zien was.

    En ik was ondertussen mijn grootste criticus geworden. Ik haalde mezelf élke minuut neer in mijn hoofd en sprak lelijk over mezelf naar anderen toe. Creëerde een spotlight op de dingen die ik verkeerd deed en bleef in de schaduw als ik iets goeds deed. En bij de ander deed ik dat juist andersom: als anderen iets verkeerd deden, dan was ik mild en empathisch. En als anderen iets goed deden, dan stopte ik een hele bos veren in hun reet.

    Daardoor kwam ik erachter dat ik eerst van mezelf moest leren houden. Mezelf moest vergeven. Empathie moest ontwikkelen voor mezelf. Voordat ik dat naar de wereld toe kon doen en kon teruggeven.

    Jezelf vergeven — hoe ziet dat er dan uit?

    Doorhebben hoe naar je tegen jezelf praat. En wat dat met je eigenwaarde doet. Dan bewust ervoor kiezen om mild te zijn. En dat is echt rete moeilijk, trouwens. Daar moet je uitgerust voor zijn, scherp, fit en gezond. Dus was het ook van belang dat ik die aspecten in mijn leven op orde kreeg.

    Maar… het lukte.

    Daarnaast: perfectionisme verminderen. Nog steeds het beste willen behalen en kwaliteit willen leveren, maar niet meer ten koste van alles. Niet meer altijd die 10. Want perfectionisme zorgde voor stress. Voor alles alleen doen (want alleen ik kon het zo goed). Voor verkramping. Ik kon niet ontspannen, stond altijd aan, kon niet loslaten.

    Perfectionisme zorgde er ook voor dat ik alle lol verloor in dingen waar ik eigenlijk goed in ben. Want ik deed het niet meer omdat ik er blij van werd, maar omdat het perfect moest. En dat zorgde er dan ook weer voor dat ik geen besluiten durfde te nemen. Dat ik ging soggen (studie-ontwijkend gedrag), ging procrastineren, dingen niet afmaakte. Burned out raakte. Een kort lontje kreeg, slecht sliep en aaaaaaltijd moe was.

    Ik moest opnieuw leren focussen op wat wél goed ging. De mooie dingen in het leven zien. Dankbaarheid tonen. Genieten. Geen dingen meer doen waar ik geen energie van kreeg of waar ik niet blij van werd.

    Maar vooral: loslaten.

    En om dat te kunnen, moest ik wéten waar ik dan wél blij van werd. Dus ook daar ben ik een keer goed over na gaan denken. Door te gaan wandelen in de natuur, in stilte en alles op te schrijven wat er in mij opkwam.

    Brief aan mijn jongere zelf

    Lieve Kate,

    Ik weet dat je nu met buikpijn terugkijkt. Omdat je inmiddels gegroeid bent. Omdat je hebt geleerd van je fouten. Omdat je écht dingen anders wilt doen.

    Je hebt toentertijd dingen anders aangepakt. Je weet ook wel waardoor dat kwam. Aan de ene kant was het traumaverwerking. Aan de andere kant wist je gewoon niet beter. Doordat je je eigen trauma’s niet had verwerkt en zo slecht over jezelf dacht, plaatste je jezelf lager dan het laagst. Het maakte niet uit wat anderen met je deden en het meest pijnlijke is dat het ook niet uit leek te maken wat jij met jezelf deed.

    Je hebt heel lang geleefd als een ander persoon die jou gadesloeg. Een bepaalde vorm van constante dissociatie. Daardoor voelde het ook niet echt, als er iets met je gebeurde, of als jij iets bij een ander deed.

    Nu kun je wél reflecteren. Naar je eigen gedrag kijken. Het herkennen. Een andere keuze maken.

    Knap hoor. Want een 10 jaar geleden lukte dat nog niet helemaal.

    Kijk, het is niet heel gek dat je alles alleen wilde doen. Dat je op niemand vertrouwde. Dat je lange tijd alleen aan jezelf hebt kunnen denken. Daarnaast mis je op veel sociale aspecten en binnen interpersoonlijke relaties goede voorbeelden van hoe het wel of juist níet moet.

    Je hebt nooit grenzen geleerd. Waardoor je regelmatig over je eigen grenzen heen ging en ook over die van anderen. Meerdere malen. Zonder dat je het goed doorhad.

    Je hebt ook nooit geleerd je emoties te voelen. Er woorden aan te geven. Ze te uiten. En ze liefdevol aandacht te geven.

    Je stopte het meestal weg, of je dissocieerde, of je vertrok gewoon.

    Als je een keer wél de confrontatie aanging, dan was het te laat. Je ontplofte dan. Ging om je heen slaan.

    Je was gemeen. Hard. Veeleisend. Manipulatief. Loog. Stal…

    Ik krijg er buikpijn van als ik eraan denk. Ik schaam mij. Ik kan mijzelf bijna niet aankijken. Maar dat wil ik niet.

    Ik wil mezelf in de ogen aan kunnen kijken en zeggen:

    Ik begrijp waarom je dat allemaal gedaan hebt.

    Het was niet leuk…..voor jezelf niet en voor de mensen om je heen. Maar ik begrijp het. En ik vergeef je.

    Je was toen niet bij machte om er iets aan te doen. Maar nu wel.

    En je hébt het ook gedaan. En je bent het nog steeds aan het doen.

    En dat is mooi.

    Ik vergeef je.

    Het is tijd om nu te focussen op wat je de afgelopen jaren wél hebt gedaan. Op wat je hebt bereikt. Hoe hard je hebt gewerkt. Hoe liefdevol, zorgzaam, vrijgevig, gezellig en moedig je bent. Hoe goed je bent in koken, bakken, dansen, schrijven, helpen, zorgen, aanpakken, analyseren, genieten…

    Je mag nu ontspannen. Genieten van je mooie gezin. En van de sterke vrouw die je nu bent.

    Want dat heb jij helemaal zelf gedaan. En daar mag je TROTS op zijn.

    Liefs,
    de volwassen en gezonde Kate

    Dus… het is gelukt

    Ja en dat heb inderdaad helemaal zelf gedaan. Want het was mijn intrinsieke motivatie, mijn doorzettingskracht, mijn veerkracht, mijn moed, mijn brein die de beslissingen heeft genomen om iets te doen.

    Daarnaast was het fijn dat er zoiets bestond als de WSNP, de GGZ en Jeugdzorg. Die systemen waren niet perfect – de bureaucratie, de “computer says no”-houding, het gebrek aan maatwerk, tussen wal en schip vallen, overwerkt zorg-personeel (ja toen ook al) – maar tóch: ik ben blij dat ze er waren. Want ze hebben ook echt geholpen.

    En daarnaast: de mensen om mij heen. Mensen die, ondanks alle teleurstellingen, vaagheden, red flags, niet nagekomen afspraken, uitblijven van communicatie, vreemd gedrag – tóch naast mij bleven staan. En de helpende hand boden. Mensen die ik enorm waardeer voor hun empathie, goedheid, geduld, liefde, behulpzaamheid, zorgzaamheid. Voor hun vermogen om verder te kijken dan wat ze aan de oppervlakte zagen. Onder het topje van de ijsberg, naar de onderstroom.

    En… ook echt een beetje geluk.

    Maar je had toch complexe PTSS? Ben je dan genezen?

    Hahaha, was het maar zo’n feest. Nee. Het is nog steeds elke dag hard werken.

    Want leven met complexe PTSS is een beetje zoals leven met diabetes… het gaat goed, zolang je je suiker-waarden reguleert. Met complexe PTSS is dat net zo: het gaat goed, zolang ik mijn leefstijl continu aanpas aan wat ik nodig heb om in balans te blijven: lichamelijk én geestelijk.

    Waar ik nu soms nog tegenaan loop? Dat ik relaties, zowel met mezelf als met anderen, spannend blijf vinden. Ik verlang naar verbinding, maar hou soms onbewust afstand. Mijn gevoel van veiligheid zoek ik nog vaak buiten mezelf, waardoor ik alert blijf en mijn zelfwaarde afhankelijk maak van externe goedkeuring.

    Hoewel ik inhoudelijk sterk ben, laat ik dat niet altijd zien. Ik positioneer mezelf soms nog steeds kleiner, ondertitel mijn gedachten te weinig en laat erkenning lastig binnenkomen. Als het spannend wordt, ga ik compenseren met actie, controle of soms zelf weer perfectionisme.

    Ik ben nog steeds aan het leren om meer rust te vinden in wie ik ben, steviger te staan in mijn waarde en mijn plek écht in te nemen.

    Maar no worries — het zijn patronen. En ik zit in het proces van bewust onbekwaam naar bewust bekwaam. En dat is een mooie ervaring.

    Tot slot

    Dus ja… ik weet niet of ik zo zwart-wit kan zijn over onze gezondheidszorg. Het is zó complex. Er is talent, kennis en geld nodig om door de ellende heen te blijven kijken. En heel eerlijk? Dat kunnen maar weinig mensen. Is het dan zo raar dat het zorgsysteem al enige tijd vastloopt? Misschien is dat… menselijk.

    Ik kon zelf pas naar de onderstroom kijken – bij mezelf en bij anderen – toen ik eindelijk weer stevig stond. En dat kostte tijd. Meer dan 30 jaar.

    Dus nee, ik kan niet zwart-wit oordelen over de gezondheidszorg. De problematiek is te complex. En mensen… zijn ook gewoon mensen.

    Desondanks… snap ik de frustratie ook zeker!

  • Ruimte geven en leven in vertrouwen

    In onze samenleving en in organisaties zie ik een regelmatig terugkerend patroon: wanneer enkele individuen zich niet aan afspraken houden, leidt dat vaak tot nieuwe regels, strengere maatregelen en beleid voor iedereen. Hoewel ik begrijp waar deze reflex vandaan komt, de behoefte aan controle en het voorkomen van herhaling, voelt het voor mij soms toch als een gemiste kans.

    Uit eigen ervaring weet ik dat dit vaak niet eerlijk aanvoelt. Tijdens mijn tijd bij Jeugdzorg viel het me al op: wie zich aan de regels hield en geen overlast veroorzaakte, werd vaak over het hoofd gezien. Terwijl degenen die het hardst schreeuwden of de meeste problemen veroorzaakten, juist alle aandacht, middelen en tijd kregen. Goed gedrag leek dus niet beloond te worden.

    Dat patroon herken ik ook breder in de samenleving. De nadruk ligt vaak op wat verkeerd gaat. Fouten en misstanden worden uitvergroot in de media. Daardoor ontstaat een vertekend beeld van wie wij zijn als samenleving: eentje die niet is gebaseerd op de velen die het goed doen, maar op de enkele keren dat het misgaat.

    Ik vraag me soms af: wat zou er gebeuren als we vaker uit gingen van vertrouwen en de goede intenties van onze medemens? Als we duidelijke kaders bieden, maar niet iedereen straffen voor de fouten van enkelen? Wat als we de mensen die het goede doen juist meer zouden zien, waarderen en ondersteunen? En juist dat zouden uitvergroten?

    Zelf geloof ik niet in vrijblijvendheid. Wie bewust misbruik maakt van vertrouwen en het systeem, mag daar stevig op worden aangepakt. Ik vind dat we dat onvoldoende soms doen in NL. Maar misschien kunnen we de uitzondering behandelen als uitzondering, en de norm blijven zien voor wat die is: mensen die hun best doen.

    Mijn ervaringen, onder andere bij Jeugdzorg, hebben mij gevormd. Ze hebben mijn rechtvaardigheidsgevoel aangescherpt en me geleerd om te zien waar systemen…..mensen over het hoofd zien. Ze hebben me doen verlangen naar een manier van samenleven en samenwerken waarin kwaliteiten worden versterkt en fouten gezien worden in hun juiste proportie. Iets om van te leren met elkaar.

    En ik merk dat, nu digitalisering sneller gaat dan ons (brein)vermogen om ermee om te gaan, deze patronen zich versterken. We zien het om ons heen: verbinding neemt af, angst en polarisatie groeien. We praten vaker óver elkaar dan met elkaar, feedback geven wordt spannender…..zelfs bel-angst is een ding. En achter een scherm lijken we soms te vergeten dat er een mens aan de andere kant zit. Dat maakt het makkelijker om elkaar pijn te doen. Deze ontwikkelingen maken het, voor mij althans, des te belangrijker om bewust te kiezen voor menselijke waardigheid, onderlinge verbondenheid en vertrouwen.

    In mijn werk, mijn leven en mijn (hr)visie op organisaties probeer ik deze overtuiging mee te nemen. Ik geloof dat de meeste mensen het goede willen doen. En ik vertrouw erop dat we samen een cultuur kunnen bouwen waarin samenwerking, eigen verantwoordelijkheid en empathie centraal staan.

    Uiteindelijk bepaalt niet het aantal regels, beleid of wetten de kwaliteit van een samenleving of organisatie. Wat telt, is hoe we met elkaar omgaan, hoe we elkaar zien, en welk fundament we kiezen: angst of vertrouwen. Voor mij is dát in ieder geval helder!

    Thuistoilet op Koningsdag 2025

    Des te blijer werd ik toen ik de thuistoilet-actie van de HEMA voorbij zag komen voor Koningsdag. Wat een mooi en praktisch initiatief! Ik herinner me nog goed hoe lastig het vroeger was tijdens Koninginnenacht en straatfeesten in Amsterdam om als vrouw ergens fatsoenlijk naar het toilet te kunnen.

    Ik voel me erg verbonden met dit soort initiatieven: delen, teruggeven en het bouwen van gemeenschap. Natuurlijk had mijn partner zijn bedenkingen. Hij was bezorgd over het openstellen van ons huis voor onbekenden: wat als er niet respectvol met onze spullen werd omgegaan? We hebben er immers hard voor gewerkt en koesteren wat we opgebouwd hebben.

    Ik was dus erg blij met zijn tegenwicht. Samen namen we simpele, maar slimme maatregelen: de looproutes blokkeren, waardevolle spullen wegbergen, duidelijke aanwijzingen ophangen en toch een oogje in het zeil houden.

    En wat bleek? We ontvingen vooral vrouwen, vaders met kids en een enkele man hier en daar. Iedereen gedroeg zich respectvol, dankbaar en vriendelijk. Slechts één keer hebben we vriendelijk de toegang moeten weigeren, aan een man die iets te dronken was.

    Tussen 13:00 en 18:00 was ons thuistoilet open. Het was gezellig druk en de reacties waren hartverwarmend: blijdschap, dankbaarheid en veel leuke gesprekken. Deze ervaring liet mij opnieuw zien: ruimte geven en kaders stellen kan samengaan. En vaak komt daar iets moois uit voort.

    Ook hier versterkten mijn partner en ik elkaars eigenschappen: zijn waakzaamheid en mijn openheid kwamen samen in een mooie en nobel balans. Zo maken verschillen ons sterker en dat merk ik zowel thuis als als professional.

    Chapeau voor deze actie van HEMA, The Good Roll en LINDA. Wat fijn om deel uit te mogen maken van zoiets positiefs.

    Het blijkt maar weer: als we ruimte geven en elkaar vertrouwen, ontstaat er zoiets moois!

  • Jarig zijn

    Jarig zijn

    Van het weekend was ik jarig. En de laatste jaren leverde mijn verjaardag best wat stress op. Niet zozeer om het ouder worden, maar meer om het besef dat ik, als het een beetje meezit, nog zo’n veertig jaar te gaan heb. Dat klinkt veel, maar ik nader wel al de helft. Sterker nog, misschien heb ik nog maar 38 fitte jaren te gaan.

    En dat besef roept spanning op. Druk. Omdat er nog zóveel is wat ik wil doen. Of eigenlijk, wat ik voel dat ik nog moet doen:

    • Afstuderen.
    • Eindelijk op mijn niveau werken.
    • Eindelijk in een omgeving waar ik mezelf kan én mag zijn.
    • Omringd zijn door mensen die mij echt kennen — in alles wat ik ben.
    • Een stabiele relatie (check!)
    • Een fijn gezin (check! Twee prachtige kinderen; al had ik er graag nog eentje bij gewild).
    • Een huis, nee, een thuis — waar ik me veilig voel en wat écht van mij is.

    Ik heb nog nooit écht iets gehad wat van mij was. Zelfs mijn eigen lichaam en geest hebben lange tijd niet als van mij gevoeld. Maar dit huis, dat we samen kochten, dit is van mij. En ik ben trots.

    En dan zijn er nog de dromen:

    • Een reis naar Japan. Naar Bali met mijn gezin.
    • Een sabbatical nemen. Financieel in de positie zijn om die tijd ook echt te kúnnen nemen.
    • Zodat ik een summer school kan doen aan de Hoge Hotelschool om mijn kook-skills te verdiepen.
    • Een boek schrijven. Over mijn leven.
    • Een baan vinden die genoeg oplevert om mijn leven te kunnen dragen, die me uitdaagt, plezier geeft én waarmee ik anderen help.
    • Echt iets van waarde bijdragen aan de samenleving.

    Zoveel nog te doen. En dat levert stress op.


    Ik kan me niet herinneren dat ik mijn verjaardag ooit heb gevierd in Suriname. Misschien gebeurde het wel, maar weet ik het niet meer. Ook in Nederland werd mijn verjaardag nauwelijks gevierd. Wat ik me wél herinner, zijn de momenten van stress rondom mijn verjaardag. Omdat ik weer straf had. Omdat er niemand kwam. Omdat er simpelweg geen aandacht aan werd besteed. Of niemand me feliciteerde.

    Ik heb me vaak eenzaam gevoeld, die eerste twintig jaar van mijn leven. En als ik daaraan terugdenk, voel ik nog steeds veel verdriet.

    Dus naast het besef dat ik nog zoveel wil doen in mijn leven, voel ik op mijn verjaardag ook de pijn van alles wat ik heb gemist. Cognitief weet ik: die tijd was niet voor niets. Het heeft me gevormd. Maar toch voel ik dat drukkende gevoel op mijn borst. Om alles wat ik heb gemist. Om de jaren waarin ik geen kind kon zijn. Geen onbezonnen tiener, geen zorgeloze studententijd met vrienden die je de rest van je leven bijblijven. Bijna niemand van toen, is nog in mijn leven. Niet omdat ze me niets deden, maar omdat ik ze niet kon vasthouden.

    En als ik eerlijk ben: ik wás toen ook geen fijne vriendin. Omdat ik zo met overleven bezig was, kon ik er simpelweg niet voor anderen zijn. Maar jeetje, wat was dat vermoeiend voor mijzelf en de ander. Ik had ook geen idee wie ik was — laat staan wie ik wilde zijn in relatie naar de ander.

    Ik zie het nu terug. Voor een therapeut of psycholoog misschien volkomen begrijpelijk, gezien mijn verleden. Maar voor de meeste mensen niet. Mijn gedrag was verwarrend, pijnlijk zelfs. Voor de ander, maar vooral voor mij. Want juist dát bevestigde weer die ene, giftige overtuiging die ik al zo lang met me meedroeg: ik ben niets waard. Iedereen laat me uiteindelijk toch in de steek.

    En dat maakt het zwaar. Voor iedereen. Want zeg nou zelf:

    • Het is vermoeiend om met iemand om te gaan die niet kan zien hoeveel moois er al is.
    • Het is zwaar om een vriendin te hebben die constant bevestiging zoekt.
    • Die zich snel aangevallen voelt.
    • Die hoge eisen stelt aan zichzelf omdat ze niet weet wie ze is en niet beter weet.
    • Die hoge eisen stelt aan de relatie, uit angst om verlaten te worden.

    Mooie self-fulfilling prophecy, hè?

    Wat ik het hardst probeerde te vermijden, heb ik jarenlang onbewust zelf gecreëerd. Hoe verdrietig is dat….


    Mijn eerste échte fijne herinnering aan mijn verjaardag was toen ik 16 werd. Een paar weken daarvoor, was ik door mijn vader uit huis gezet.

    Ik weet de precieze datum niet meer, maar het moet ergens in maart 1999 zijn geweest, de maand voor mijn 16e verjaardag. Ik zat in mijn examenjaar van de mavo, op het Thomas More College.

    Het was een ochtend zoals elk andere. Ik had slecht geslapen en was alweer vroeg wakker. Ik maakte me klaar, douchte snel, deed mijn kleren aan en keek gespannen in de spiegel: zag alles er goed uit? Ik controleerde mijn kamer. Was het bed netjes opgemaakt, was er geen rommel? Ik had mijn boterhammen gesmeerd, mijn tas ingepakt, de keuken achtergelaten zoals het hoorde. Alles klopte. Er mocht niets zijn waar mijn vader mij op kon betrappen.

    Het huis was smetteloos. Ik had geen opvallende kleren. Geen make-up op.

    Ik had hem nog niet gehoord en ik was muisstil geweest. Inmiddels was ik een ster in geluidloos bewegen. Ik sloop door het huis alsof ik onzichtbaar was. En mijn hart maakte een klein sprongetje, misschien zou ik deze ochtend aan zijn controle ontsnappen.

    Mijn vader controleerde me vaak. Wat ik aanhad. Wat er in mijn tas zat. Hoe ik de deur uitging. En als iets hem niet beviel, wat dat ook mocht zijn, dan moest ik me omkleden. Tot het hem wél aanstond. Dat ik dan te laat kwam op school, was mijn probleem. Had ik maar eerder op moeten staan.

    Ik opende zachtjes de schuifdeur naar de trap, stapte op mijn tenen naar beneden. Bijna bij de voordeur… en toen hoorde ik zijn slaapkamerdeur opengaan. Mijn hart zonk in mijn schoenen. Hij riep me na: of ik even naar boven wilde komen.

    Boven zat hij aan de ronde eettafel in de woonkamer. Kalm. Té kalm. Hij vroeg me te gaan zitten. Die kalmte kende ik. Hoe rustiger hij leek, hoe bozer hij meestal vanbinnen was.

    Hij begon over Judas, die Jezus verraden had. Ik had geen idee waar hij naartoe wilde. Ondertussen tikte de klok verder — ik zou weer te laat op school komen. En dat betekende nablijven. Kut, kut, kut.

    Hij vroeg of ik begreep wat dat verhaal betekende. Langzaam begon het te dagen. Vergeleek hij zichzelf nu met Jezus? Was hij serieus?

    Hij stelde vage vragen: wat ik van hem vond? Of ik het leuk vond om bij hem te wonen? Ik gaf natuurlijk de antwoorden die hij wilde horen. Daar was ik inmiddels in getraind, automatisch antwoorden. Als een robot, zonder erbij na te denken wat ik echt voelde of wilde. Maar in mijn buik voelde ik de knoop komen, druk op de borst, mijn hart in mijn keel….het gevaar en geweld zat er aan te komen.

    En toen legde hij ineens wat papieren op tafel. Ik herkende ze meteen. Kopieën van mijn dagboek.

    Hoe durfde hij?
    Mijn dagboek was misschien niet goed verstopt, maar het was het enige dat van míj was. Dacht ik. Maar ook daar had hij aangezeten. Hij had werkelijk alles van me afgepakt. Niets was van mij.

    Hij begon eruit voor te lezen. Mijn intiemste gedachten. Over hoe vreselijk ik het leven met hem vond. Over het psychologische geweld, het gaslighten, het manipuleren, de vernedering, het slaan, de angst. Hij las passages voor waarin ik het huis een gevangenis noemde. Een kamp. En hem vergeleek met Hitler.

    Er kwam een druk op mijn borst, mijn keel kneep dicht, ik werd duizelig. Wat ging hij doen? Hoe ging ik hieruit komen?

    Maar wonder boven wonder: er volgde geen geweld.
    Geen scheldpartij.
    Zijn riem bleef om.
    Ik hoefde me niet uit te kleden.

    In plaats daarvan zei hij dat hij de kopieën had doorgestuurd. Naar familie, naar vrienden. Mijn diepste gedachten, gedeeld zonder mijn toestemming. Zonder schaamte. De ultieme grensoverschrijding.

    Om te laten zien hoe ondankbaar ik was. Hij had me, zei hij, gered van een miezerig leven in Suriname. Alles voor mij gedaan. En dit was hoe ik hem terugbetaalde.

    Hij zei dat de familie geschrokken was van mijn woorden. Hoe durfde hij? Mijn meest persoonlijke gedachten, zonder schaamte gedeeld met anderen. De ultieme vernedering.

    En toen keek hij me glimlachend aan. Kalm. En hij zei: “Als het hier zo erg is, lever dan je sleutel maar in. En ga.”

    Ik kon het bijna niet geloven. Kon ik écht gaan? Zonder klappen? Was ik… vrij? Ik stond op. Ik leverde mijn sleutel in. Pakte mijn schooltas. Liep naar buiten. En toen de deur achter me dichtviel, voelde ik het: een enorme last gleed van me af.
    Ik was vrij.


    In een lichte, bijna euforische roes pakte ik de tram naar school. Ik was veel te laat en kreeg daar natuurlijk ook op mijn kop — maar het maakte me niets uit.

    Nooit meer hoefde ik te dealen met deze man, die beweerde mijn vader te zijn, maar me jarenlang had mishandeld; psychisch én lichamelijk. Die me had vernederd. Me had gestript van mijn identiteit, mijn eigen geest.

    Ik was vrij.

    Redelijk zorgeloos kwam ik de dag door, tot het einde naderde. Langzaam begon het tot me door te dringen: ik had geen idee waar ik naartoe moest na school. Oh nee, wat moest ik nu doen? En nog steeds vroeg ik niemand om hulp. Ik wist niet hoe. En ergens schaamde ik me ook.

    Uiteindelijk heb ik het aan een klasgenootje verteld. Zij nam me mee naar huis en vertelde haar ouders wat er gebeurd was. Er werd in het telefoonboek gezocht op mijn moeders achternaam. Ik wist dat de broer van mijn moeder in Den Haag woonde. Er waren gelukkig niet veel met die naam in Den Haag. Bij het tweede belletje hadden we beet.

    Mijn oom kwam mij later op de avond bij hen ophalen. Die weken werd er meteen een kamer en een bed voor me klaargemaakt. Ze kochten kleren voor me. Mijn oom leerde me koken en ik ontdekte dat ik dat eigenlijk heel leuk vond.

    En het allermooiste? Ik mocht mijn 16e verjaardag vieren. Een écht feestje. Met lekker eten die mijn oom speciaal voor mij had gemaakt, salsa dansen en vriendinnetjes die op bezoek kwamen. Ik was zó blij. Ik had nog nooit zoiets meegemaakt.

    Want dit was de eerste keer in mijn leven, dat ik me kan herinneren, dat mijn verjaardag écht werd gevierd.


    Ik had mezelf toen beloofd dat ik elk jaar mijn verjaardag zou vieren. De regie was nu aan mij, en die pakte ik ook.

    En hoe. Elk jaar een feestje. Een dinertje. Een dansje. Mooi aangekleed, lekkere muziek, soms een fotograaf. Altijd goed eten. Alles door mij geregeld. Betaald. Gecontroleerd.

    Het kostte vaak veel geld, vaak geld dat ik niet eens had. Maar ik wilde één ding zeker weten: dat het geen dag werd zoals vroeger. Geen stilte. Geen eenzaamheid. Geen vergeten worden.

    Ik dacht dat ik mijn verjaardag vierde uit vrijheid. Maar eigenlijk was het nog steeds een overlevingsmechanisme.
    Om te voorkomen dat niemand zou komen.
    Om te bewijzen dat ik het waard was.
    Om te verbloemen dat ik diep vanbinnen nog steeds bang was.

    Pas de laatste jaren begon het te schuiven.
    Ik stond erbij stil. Keek echt. En vroeg me af: voor wie doe ik dit eigenlijk?

    Ik realiseerde me dat die oude angst (van straf, vergeten worden, geen felicitatie krijgen) nog steeds in mijn systeem zat. Elk jaar kwam datzelfde gevoel weer boven drijven rond mijn verjaardag.

    En dat, terwijl ik inmiddels al jaren mooie mensen om me heen had verzameld. Mensen die van míj houden. Die er elk jaar weer zijn. Die hun best doen om me te feliciteren en erbij te zijn. Ik besloot dat ik me wilde richten op hén. Op de mensen bij wie ik mezelf kan zijn. Die het helemaal prima vinden, mijn verjaardag met mij vieren, ook zonder alle poespas erbij. En ja, ik vind het nog steeds moeilijk om te voelen dat ze er echt voor mij zijn.

    Dat hardnekkige gevoel van “ik ben niets waard” zit er toch nog. Ik werk er nog elke dag aan om dat gevoel los te laten. Maar ik heb ook geleerd dit over mezelf te accepteren want dit is waar ik nu ben. Ontkennen heeft geen zin. Wat wél helpt, is acceptatie. Ermee werken. Het verdriet toelaten.

    Leren om mijn emoties te reguleren. Nieuwe patronen, nieuwe gedachten, nieuwe ervaringen opbouwen in mijn hoofd; zodat de oude langzaam ruimte maken voor iets nieuws.

    Maar dat vraagt tijd. Therapie. Rust. Ontspanning. Stilstaan. Reflecteren. Leven in het hier en nu. Voelen wat ik voel. Erkennen waar het vandaan komt. Snappen dat het een oud gevoel is, een oud verdriet, dat opkomt in het nu.

    En juist dán, er aandacht aan geven. De emotie dragen. Reguleren. Om daarna me volledig te richten op wat het nú betekent. Op wat ik vandaag mag ervaren.


    En dit jaar? Mijn verjaardag is inmiddels geweest.

    Op de dag zelf stond ik heerlijk in de keuken. Koken, bakken, nieuwe gerechten uitproberen… ik heb dingen gedaan waar ik zó blij van word. Ik had oppas geregeld voor mijn zoontje, zodat ik mijn handen vrij had om rustig te koken. Ik had hulp gevraagd aan mijn partner en aangegeven wat ik van hem nodig had qua klaarzetten.

    Rond 14:00 merkte ik dat ik het niet ging redden. En daar was ‘ie weer: dat oude gevoel van perfectionisme. Ik herkende het, dus stopte ik. Heb er aandacht aan gegeven en toen heb ik hulp gevraagd aan mijn buren.

    Daarnaast besloot ik: alles wat ik nog wilde doen, ging ik niet afkrijgen in dat ene uur. Dus ik koos drie dingen om wél te doen. Zodat ik op tijd klaar zou zijn om mijn gasten te ontvangen en vooral: om te kunnen genieten van mijn verjaardag.

    Mijn schoonouders waren er, collega’s, buren, vrienden. Er werd voor me gezongen. En ik vond het lastig om daar een houding in te vinden. In het middelpunt staan is nu nog steeds niet mijn favoriete plek, omdat het ongemak geeft. Maar ik wil er wel staan, dus dat is de paradox die ik voel.

    Maar in plaats van dat gevoel weg te duwen, liet ik het er gewoon zijn. Dat ongemak. Want dat ben ik. En dat is oké. Ik ga mezelf niet meer onder druk zetten met gedachtes als: “je doet stom, je moet normaal doen.”

    In het ongemak voelde ik me tegelijk gezien én geliefd, en even weer dat kleine meisje van toen. Ik genoot van de aandacht, de mooie cadeaus, de lieve woorden, gesproken én geschreven. Ik liet het over me heen komen. En ik opende mijn hart om het echt binnen te laten komen.

    Het mocht er allemaal zijn. Ik ga mijzelf niet meer verbergen.

    Ik legde mezelf geen druk op om iedereen te vermaken. Ik liet mensen bij binnenkomst meteen weten waar alles stond. Pak wat je wil, voel je thuis. Zo had ik mijn handen vrij.
    En kon ik met iedereen een beetje kletsen.


    Later op de avond merkte ik dat mijn gedachten toch weer afdwaalden naar oude patronen.
    Naar de mensen die niet waren gekomen. Naar de mensen die niets van zich hadden laten horen. Ik voelde de stress weer opborrelen…en ik liet het maar gewoon komen.

    Ik merkte ook dat ik me schuldig begon te voelen. Al die cadeautjes die ik had gekregen…
    Ik dacht: “ik ben dit helemaal niet waard. Ik moet zó dankbaar zijn dat mensen zulke mooie, dure cadeaus voor me hebben meegenomen.

    En toen…toen betrapte ik mezelf.

    Nee, Kate.
    Je hoeft niet kleiner te worden.
    Je hoeft jezelf niet onder de ander te plaatsen.

    Mensen hebben cadeautjes meegenomen en zijn gekomen omdat ze jou leuk vinden.
    Omdat ze graag iets voor je wilden doen.
    Punt.

    Je hoeft nu niet extra dankbaar te zijn.
    Je hoeft niets terug te doen om het ‘goed te maken’.

    Het verschil? Ik herken het patroon en kies nu bewust anders. Ik ben aan het groeien. Ik word eindelijk… bewust bekwaam.

    Dus….
    Ik heb me écht jarig gevoeld. Geliefd.
    Dankbaar — voor mezelf en voor de mensen om me heen.